Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD8308

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-07-2008
Datum publicatie
23-07-2008
Zaaknummer
200801764/1 en 200801764/2
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 juni 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Roermond (hierna: het college) aan [vergunninghouder] vrijstelling verleend voor het vergroten van een woonhuis op het adres [locatie] te Roermond (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200801764/1 en 200801764/2.

Datum uitspraak: 15 juli 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nr. 07/1630 van de rechtbank Roermond van 1 februari 2008 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Roermond.

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 juni 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Roermond (hierna: het college) aan [vergunninghouder] vrijstelling verleend voor het vergroten van een woonhuis op het adres [locatie] te Roermond (hierna: het perceel).

Bij besluit van 8 juni 2007 heeft het college aan [vergunninghouder] bouwvergunning verleend voor voormeld bouwplan.

Bij besluit van 11 september 2007 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 1 februari 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Roermond (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 maart 2008, hoger beroep ingesteld.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 9 juni 2008, heeft [appellant] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 3 juli 2008, waar [appellant], bijgestaan door G.J. Hingstman, het college, vertegenwoordigd door P.J.J.M. van Lierop, ambtenaar in dienst van de gemeente, en [vergunninghouder], zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.2. Niet in geschil is dat het bouwplan in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Dennemarken II" (hierna: het bestemmingsplan), omdat met inbegrip van het bouwplan een totale oppervlakte aan bijgebouwen van 101 m² zal ontstaan, waardoor de maximale toegestane oppervlakte aan bijgebouwen van 60 m² voor een perceel tussen de 300 en 600 m² wordt overschreden.

Om bouwvergunning voor het bouwplan te kunnen verlenen heeft het college met toepassing van artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO), vrijstelling voor het bouwplan verleend.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat aan de verleende vrijstelling en bouwvergunning geen zorgvuldige belangenafweging ten grondslag ligt. Daartoe voert hij aan dat het college ten onrechte niet reeds bij het ter inzage gelegde voornemen om vrijstelling te verlenen zijn belangen heeft betrokken. Voorts voert hij aan dat binnen de belangenafweging onvoldoende aandacht is besteed aan het ontwerpbestemmingsplan "Maasdriel" en dat onvoldoende waarde is gehecht aan de belangen van de omwonenden bij het behoud van een aanvaardbaar uitzicht en voldoende zonlichttoetreding.

2.3.1. Dit betoog faalt. De rechtbank heeft terecht overwogen dat inherent is aan het wettelijk systeem dat het college niet reeds bij het ter inzage leggen van het voornemen om vrijstelling te verlenen een afweging heeft gemaakt van alle betrokken belangen, nu de uniforme openbare voorbereidingsprocedure juist tot doel heeft te bevorderen dat het bestuursorgaan een goed inzicht krijgt in de belangen die betrokken zijn bij het te nemen besluit. De rechtbank heeft terecht en op goede gronden geoordeeld dat het college met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure, en de daarbij ingediende zienswijzen de nodige kennis heeft vergaard omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.

Voorts heeft de rechtbank terecht overwogen dat bij het verlenen van een vrijstelling met toepassing van artikel 19, derde lid, van de WRO, niet vereist is te anticiperen op een toekomstig planologisch kader. Het college heeft de strijdigheid met het ontwerpbestemmingsplan blijkens de aan de besluitvorming ten grondslag gelegde stukken voldoende onderkend en meegewogen in de belangenafweging. Ter zitting is door het college toegelicht dat onderhavig bouwplan niet positief is bestemd in het ontwerpbestemmingsplan, omdat dit ten tijde van de bouwaanvraag reeds in procedure was gebracht.

De rechtbank is terecht en op goede gronden tot het oordeel gekomen dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat niet is gebleken van een onevenredige aantasting van het uitzicht en de zonlichttoetreding van de omwonenden.

Het college heeft ten slotte bij de verlening van de vrijstelling van belang kunnen achten dat de totale oppervlakte van de bebouwing op het perceel ruimschoots onder de op grond van het bestemmingsplan toegestane oppervlakte van 50% blijft.

2.4. Voor zover [appellant] wijst op de gronden die hij in bezwaar en beroep naar voren heeft gebracht en in hoger beroep als herhaald en ingelast beschouwt, kunnen deze niet leiden tot een ander oordeel dan dat waartoe de rechtbank is gekomen.

2.5. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college in redelijkheid heeft kunnen besluiten vrijstelling voor het bouwplan te verlenen.

Hetgeen [appellant] aanvoert met betrekking tot de verwijzing van de rechtbank naar het Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken kan, wat daar ook van zij, niet tot het door hem beoogde resultaat leiden, nu in de thans in geding zijnde procedure de toetsing aan dit Besluit niet aan de orde is.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.W. Wijers, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Wijers

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2008

444