Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD7520

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-07-2008
Datum publicatie
21-07-2008
Zaaknummer
200804004/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vreemdelingenbewaring / niet vermelden wetsartikel en niet op ambtsbelofte/eed opgemaakt pv niet fataal

In het terzake van de aanhouding van de vreemdeling opgemaakte proces-verbaal met de daarbij behorende bijlage is, anders dan de rechtbank heeft overwogen, voldoende uiteengezet onder welke omstandigheden de vreemdeling is aangetroffen en om welke redenen zijn aanhouding heeft plaatsgevonden. Voorts is hieruit op te maken dat die aanhouding heeft plaatsgevonden in het kader van de uitoefening van strafrechtelijke bevoegdheden. Dit valt ook af te leiden uit het proces verbaal van overbrenging en ophouding. Door de vreemdeling is voorts geen tegenbewijs geleverd, op grond waarvan niet van het strafrechtelijk karakter van het proces-verbaal van aanhouding met de daarbij behorende bijlage kan worden uitgegaan. Dat uit dit proces-verbaal niet valt op te maken of het op ambtseed of ambtsbelofte is opgemaakt, biedt daarvoor evenmin grond. Niet is gesteld dat een daartoe bevoegde rechter de onrechtmatigheid van de aanwending van de strafrechtelijke bevoegdheden heeft vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200804004/1.

Datum uitspraak: 9 juli 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak nr. 08/17273 van de rechtbank 's Gravenhage van 27 mei 2008 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 mei 2008 is [de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 27 mei 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank ’s Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel van bewaring bevolen en de vreemdeling schadevergoeding toegekend. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 3 juni 2008, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De vreemdeling is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. In de enige grief klaagt de staatssecretaris, samengevat weergegeven, dat de rechtbank de maatregel van bewaring vanaf de dag van oplegging ervan ten onrechte onrechtmatig heeft geacht, omdat uit de processen-verbaal van aanhouding en van overbrenging en ophouding genoegzaam blijkt dat de vreemdeling is aangehouden op grond van andere dan krachtens of bij de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) toegekende bevoegdheden. Dat in die processen-verbaal het wetsartikel niet expliciet is genoemd en dat het proces-verbaal van aanhouding mogelijk niet op ambtseed of op ambtsbelofte is opgemaakt, doet daaraan volgens de staatssecretaris niet af.

2.2. Volgens het proces-verbaal van aanhouding met de daarbij behorende bijlage waren op woensdag 14 mei 2008 omstreeks 20.00 uur verbalisanten bezig met een horecacontrole bij de moskee op de [adres] en troffen zij aldaar achter de bar een man aan, die later verklaarde [de vreemdeling] te zijn, geboren op 1 januari 1980 te Turkije. Volgens dit proces-verbaal verrichtte [de vreemdeling] werkzaamheden achter de bar. Verder is daarin vermeld dat [de vreemdeling] door de verbalisanten om zijn legitimatiebewijs is gevraagd, maar dat hij deze niet bij zich had, en dat hij vervolgens is aangehouden en overgebracht naar het wijkteam Balistraat en daar verklaarde illegaal in Nederland te verblijven.

Volgens het proces-verbaal van overbrenging en ophouding is de vreemdeling na onderzoek ter zake van een overtreding van een strafbaar feit voorgeleid aan de hulpofficier van justitie en door deze op dezelfde dag om 22.24 uur heengezonden en aansluitend op grond van artikel 50, tweede of derde lid, van de Vw 2000 overgebracht naar een plaats van verhoor en daar vervolgens opgehouden.

2.2.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 26 juli 2001 in zaak nr. 200102650/1, JV 2001/234), is het niet aan de rechter in vreemdelingenzaken te oordelen over de aanwending van andere dan bij of krachtens de Vw 2000 toegekende bevoegdheden. Slechts indien de onrechtmatigheid van de aanwending van zodanige bevoegdheden door een daartoe bevoegde rechter is vastgesteld, kan de vreemdelingenrechter zich gesteld zien voor de vraag naar de gevolgen daarvan voor de rechtmatigheid van de inbewaringstelling.

Zoals de Afdeling evenzeer eerder heeft overwogen (uitspraak van 10 maart 2005 in zaak nr. 200500856/1, RV 2005, 61), is voor de vaststelling of sprake is van een staandehouding krachtens de Vw 2000 van belang dat in het desbetreffend proces-verbaal niet slechts melding wordt gemaakt van de grond van de aanhouding, maar tevens inzicht wordt verschaft in de omstandigheden en de redenen die aanleiding hebben gegeven tot de staandehouding.

2.2.2. In het terzake van de aanhouding van de vreemdeling opgemaakte proces-verbaal met de daarbij behorende bijlage is, anders dan de rechtbank heeft overwogen, voldoende uiteengezet onder welke omstandigheden de vreemdeling is aangetroffen en om welke redenen zijn aanhouding heeft plaatsgevonden. Voorts is hieruit op te maken dat die aanhouding heeft plaatsgevonden in het kader van de uitoefening van strafrechtelijke bevoegdheden. Dit valt ook af te leiden uit het proces verbaal van overbrenging en ophouding. Door de vreemdeling is voorts geen tegenbewijs geleverd, op grond waarvan niet van het strafrechtelijk karakter van het proces-verbaal van aanhouding met de daarbij behorende bijlage kan worden uitgegaan. Dat uit dit proces-verbaal niet valt op te maken of het op ambtseed of ambtsbelofte is opgemaakt, biedt daarvoor evenmin grond. Niet is gesteld dat een daartoe bevoegde rechter de onrechtmatigheid van de aanwending van de strafrechtelijke bevoegdheden heeft vastgesteld.

De grief slaagt.

2.3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 15 mei 2008 beoordelen in het licht van de daartegen in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden, voor zover die gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, nog bespreking behoeven.

2.4. In beroep heeft de vreemdeling aangevoerd dat, nu zijn paspoort en Nufus-kaart door familie bij de ambassade zijn afgegeven, de staatssecretaris onvoldoende voortvarend aan de uitzetting werkt.

2.4.1. De vreemdeling is op 15 mei 2008 in bewaring gesteld. Die dag heeft ook een identiteitsgehoor plaatsgevonden. Op 20 mei 2008 is de vreemdeling naar het detentiecentrum te Zeist overgebracht. Vervolgens heeft op 23 mei 2008 een vertrekgesprek plaatsgevonden, waarbij door de vreemdeling een aanvraag voor het verstrekken van een laissez-passer is ingevuld, die op dezelfde dag door de regievoerder naar de laissez-passer kamer van de Dienst Terugkeer & Vertrek is verzonden. Voorts heeft de regievoerder, met het oog op de bij het Turkse consulaat reeds overgelegde documenten van de vreemdeling, die dag telefonisch contact opgenomen met de laissez-passer kamer en verzocht om de vreemdeling zo spoedig mogelijk bij het consulaat te presenteren. Volgens de staatssecretaris had de vreemdeling hoogstwaarschijnlijk in week 22 kunnen worden gepresenteerd. Gelet hierop bestaat er geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris met onvoldoende voortvarendheid aan de uitzetting van de vreemdeling heeft gewerkt. De beroepsgrond faalt.

2.5. Gelet op het vorenoverwogene zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen de inbewaringstelling alsnog ongegrond verklaren. Er is geen grond voor schadevergoeding.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 27 mei 2008 in zaak nr. 08/17273;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond;

IV. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins de Vin, voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. T.M.A. Claessens, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.J.J.M. van Tielraden, ambtenaar van Staat.

w.g. Parkins-de Vin

voorzitter w.g. Van Tielraden

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2008

156-550.

Verzonden: 9 juli 2008

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak