Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD7397

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-07-2008
Datum publicatie
16-07-2008
Zaaknummer
200707731/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 april 2006 heeft de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de staatssecretaris) aan [appellant] een boete opgelegd van € 16.000,00 wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200707731/1.

Datum uitspraak: 16 juli 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nr. 06/9873 van de rechtbank 's-Gravenhage van 25 september 2007 in het geding tussen:

[appellant],

en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

1. Procesverloop

Bij besluit van 11 april 2006 heeft de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de staatssecretaris) aan [appellant] een boete opgelegd van € 16.000,00 wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav).

Bij besluit van 30 oktober 2006 heeft de staatssecretaris het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 25 september 2007, verzonden op 27 september 2007, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door [appellant] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 november 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de minister) heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 april 2008, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. C.J. van Dijk, advocaat te Ede, en de minister, vertegenwoordigd door mr. R. Achttienribbe, werkzaam bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef, onderdeel b en onder 1˚, van de Wav wordt onder werkgever verstaan degene die in de uitoefening van een ambt, beroep of bedrijf een ander arbeid laat verrichten.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, is het een werkgever verboden een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning.

Ingevolge artikel 18, voor zover thans van belang, wordt het niet naleven van artikel 2, eerste lid, als beboetbaar feit aangemerkt.

Ingevolge artikel 19a, eerste lid, legt een daartoe door de minister aangewezen, onder hem ressorterende ambtenaar namens hem de boete op aan degene op wie de verplichtingen rusten, welke voortvloeien uit deze wet, voor zover het niet naleven daarvan is aangeduid als een beboetbaar feit.

Ingevolge artikel 19d, eerste lid, voor zover thans van belang, is de hoogte van de boete, die voor een beboetbaar feit kan worden opgelegd, indien begaan door een natuurlijk persoon, gelijk aan de geldsom van ten hoogste € 11.250,00.

Ingevolge het derde lid stelt de minister beleidsregels vast waarin de boetebedragen voor de beboetbare feiten worden vastgesteld.

Volgens beleidsregel 1 van de Beleidsregels boeteoplegging Wav, zoals die ten tijde van belang luidden (hierna: de beleidsregels), worden bij de berekening van een boete als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, van de Wav voor alle beboetbare feiten als uitgangspunt gehanteerd de normbedragen die zijn neergelegd in de 'Tarieflijst boetenormbedragen bestuurlijke boete Wav' (hierna: de Tarieflijst), die als bijlage bij de beleidsregels is gevoegd.

Volgens beleidsregel 2 wordt voor de werkgever als natuurlijk persoon bij een gedraging in strijd met artikel 2, eerste lid, als uitgangspunt voor de berekening van de op te leggen boete 0,5 maal het boetenormbedrag gehanteerd.

Volgens de Tarieflijst is het boetenormbedrag voor overtreding van artikel 2, eerste lid, op € 8.000,00 per persoon per beboetbaar feit gesteld.

2.2. Blijkens het door een inspecteur van de Arbeidsinspectie op ambtsbelofte opgemaakte boeterapport van 4 januari 2006 (hierna: het boeterapport) waren vier vreemdelingen van Slowaakse nationaliteit (hierna: de vreemdelingen) op 30 juni 2005 bezig kratten schoon te spuiten in het bedrijf van [belanghebbende A], zonder dat daarvoor tewerkstellingsvergunningen waren verleend.

2.3. [appellant] betoogt in hoger beroep uitsluitend dat de rechtbank heeft miskend dat de territoriale begrenzing van het Nederlands bestuursrecht het onmogelijk maakt om hem voor buiten Nederland verrichte activiteiten te beboeten. Dat het effect van de verweten gedragingen zich in Nederland voordoet is volgens hem onvoldoende om hem een boete op te leggen voor gedragingen die zich buiten de Nederlandse rechtssfeer hebben voltrokken.

2.3.1. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de artikelen 1 en 2 van de Wav (Kamerstukken II 1993/94, 23 574, nr. 3, blz. 13) is diegene die een vreemdeling feitelijk arbeid laat verrichten vergunningplichtig werkgever en is deze werkgever te allen tijde verantwoordelijk voor en aanspreekbaar op het al dan niet aanwezig zijn van de benodigde tewerkstellingsvergunning.

Blijkens de nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II 2003/04, 29 523, nr. 6, blz. 2) zijn, indien sprake is van een intermediair die een vreemdeling uitleent of detacheert bij een andere werkgever, zowel de intermediair als de werkgever waar de daadwerkelijke arbeid verricht wordt, verantwoordelijk voor de tewerkstellingsvergunning.

2.3.2. Uit het boeterapport en de bij dat rapport gevoegde verklaring van [appellant] blijkt dat [appellant] zich onder meer bezighoudt met de werving en selectie van personeel ten behoeve van de vleesverwerkende industrie.

[appellant] heeft in opdracht van [belanghebbende B], gevestigd te [plaats], tegen betaling de werving en selectie van de vreemdelingen verzorgd. De vreemdelingen werden vervolgens door [belanghebbende B] bij [belanghebbende A] tewerkgesteld. [appellant] factureerde aan [belanghebbende B] en [belanghebbende B] factureerde aan [belanghebbende A]. De vreemdelingen ontvingen van [belanghebbende B] een voorschot op hun loon. Indien dit voorschot ontoereikend was, betaalde [appellant] aan de vreemdelingen telkens het restant van hun loon.

Gelet op het ruime werkgeversbegrip van de Wav, heeft de rechtbank [appellant] terecht als vergunningplichtig werkgever aangemerkt.

Anders dan [appellant] betoogt is daarbij niet van belang dat hij zelf niet in Nederland activiteiten heeft verricht. De rechtbank heeft terecht overwogen dat voor de toepassing van de artikelen 2, eerste lid, en 19a, eerste lid, van de Wav bepalend is dat de vreemdelingen de werkzaamheden in Nederland hebben verricht.

Het betoog faalt.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. M.A.A. Mondt-Schouten, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.W. Groeneweg, ambtenaar van Staat.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Groeneweg

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2008

32-490.