Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD7380

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-07-2008
Datum publicatie
16-07-2008
Zaaknummer
200707749/1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBALK:2007:BB4635, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 maart 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Langedijk (hierna: het college) geweigerd aan [appellante] vrijstelling te verlenen voor het bouwen van een garage/berging op het adres [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200707749/1.

Datum uitspraak: 16 juli 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nr. 06/1796 van de rechtbank Alkmaar van 10 september 2007 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Langedijk.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 maart 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Langedijk (hierna: het college) geweigerd aan [appellante] vrijstelling te verlenen voor het bouwen van een garage/berging op het adres [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 16 juni 2006 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 10 september 2007, verzonden op 26 september 2007, heeft de rechtbank Alkmaar (hierna: de rechtbank), het door [appellante] tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard en het tegen het besluit van 16 juni 2006 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 november 2007, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 juni 2008, waar [appellante], vertegenwoordigd door [gemachtigde] en mr. R.A.M. Schram, advocaat te Haarlem, en het college, vertegenwoordigd door O.H. Stom, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. [appellante] betoogt dat de rechtbank haar beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Volgens [appellante] bestond nog een belang bij de beoordeling van dat beroep, vanwege de proceskosten die zij in beroep heeft moeten maken en vanwege de schade die zij heeft geleden door het niet tijdig nemen van dat besluit.

2.1.1. Dit betoog faalt. Ingevolge artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht, wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, het niet tijdig nemen van een besluit gelijk gesteld met het nemen van een besluit. Met dit artikel is beoogd een procedureel middel te geven om het bestuursorgaan tot besluitvorming te bewegen. Indien, zoals in deze zaak, hangende het beroep alsnog een reëel besluit is genomen, en dit doel dus is verwezenlijkt, is er in beginsel geen procesbelang meer bij vernietiging van het besluit. De rechtbank heeft het college veroordeeld in de aan de zijde van [appellante] gemaakte proceskosten in verband met de behandeling van het beroep tegen het niet tijdig nemen van het besluit op bezwaar. [appellante] heeft niet aannemelijk gemaakt verdere schade te hebben geleden door het niet tijdig beslissen door het college. De rechtbank heeft het beroep tegen het uitblijven van een beslissing op bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard.

2.2. Voorts betoogt [appellante] dat de rechtbank ten onrechte heeft geconstateerd dat er sprake is van een herhaalde aanvraag. Volgens [appellante] was de rechtbank niet bevoegd daartoe over te gaan, nu deze bevoegdheid bij het college ligt. Voorts voert zij aan dat het door haar echtgenoot op 26 januari 2004 ingediende bouwplan betrekking had op de oprichting van een landhuis met garage en de onderhavige bouwaanvraag slechts betrekking heeft op de oprichting van een garage, die anders gesitueerd is. Voorts wijst [appellante] erop dat sinds de indiening van het vorige bouwplan inmiddels een ontwerpbestemmingsplan ter inzage is gelegd met andere stedenbouwkundige uitgangspunten dan de uitgangspunten die golden ten tijde van de besluiten van het college met betrekking tot het eerder ingediende bouwplan, en dat het perceel waarop het bouwplan is voorzien groter is geworden door eigendomsverwerving.

2.3. Bij besluit van 10 februari 2004 heeft het college geweigerd aan [gemachtigde] bouwvergunning te verlenen voor de bouw van een woning en een garage op het perceel. Bij besluit van 28 september 2004 heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 20 juli 2006 heeft de rechtbank het daartegen ingediende beroep ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 9 mei 2007 in zaak nr. <a target="_blank" href="http://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken_in_uitspraken/zoekresultaat/?zoeken_veld=200605819/1&verdict_id=17045&utm_id=1&utm_source=Zoeken_in_uitspraken&utm_campaign=uitspraken&utm_medium=internet&utm_content=200605819/1&utm_term=200605819/1">200605819/1</a> heeft de Afdeling het daartegen ingestelde hoger beroep ongegrond verklaard.

2.4. Uit de jurisprudentie van de Afdeling (zie onder meer de uitspraak van 6 maart 2008 in zaak nr. 200706839/1) vloeit voort dat, indien na een eerder afwijzend besluit een besluit van gelijke strekking wordt genomen, door het instellen van beroep tegen het laatste besluit niet kan worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst, als ware het een eerste afwijzing. Slechts indien en voor zover in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan, kunnen dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen door de bestuursrechter worden getoetst.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 7 juni 2006 in zaak nr. <a target="_blank" href="http://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken_in_uitspraken/zoekresultaat/?zoeken_veld=200504788/1&verdict_id=14037&utm_id=1&utm_source=Zoeken_in_uitspraken&utm_campaign=uitspraken&utm_medium=internet&utm_content=200504788/1&utm_term=200504788/1">200504788/1</a> is in dat kader van belang of het bouwplan waarop de eerdere bouwaanvraag betrekking heeft in essentie gelijk is aan het bouwplan waarop de tweede bouwaanvraag ziet. Bij die vergelijking komt mede betekenis toe aan de gronden waarop de bouwvergunning voor het eerste bouwplan is geweigerd.

2.5. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de bouwplannen in essentie gelijk zijn en dat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden sinds de beslissing op de eerste aanvraag. De aanvraag van [appellante] strekt tot het in het leven roepen van hetzelfde rechtsgevolg als de aanvraag van haar echtgenoot, namelijk het verkrijgen van een bouwvergunning voor de garage op het perceel. Daarbij heeft de rechtbank terecht van belang geacht dat de bij onderhavige aanvraag ingediende bouwtekeningen identiek zijn aan de tekeningen die bij de aanvraag van 26 januari 2004 zijn ingediend. De licht gewijzigde situering van de garage kan niet als een relevante verandering worden aangemerkt, nu slechts sprake is van een beperkte wijziging in de situering van de garage ten opzichte van de eerder ingediende aanvraag, waarbij de garage op de bijbehorende tekening indicatief ingetekend was. Daarbij heeft het college bij de weigering bouwvergunning te verlenen naar aanleiding van de eerste aanvraag voor wat betreft de garage met name van belang geacht dat deze buiten het bouwvlak was voorzien, hetgeen ook in onderhavige aanvraag het geval is. Wijzigingen in het oppervlak van het perceel kunnen dan ook in dit kader niet relevant worden geacht.

Voorts kan uit het aangevoerde niet worden afgeleid dat zich een relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan. Het college heeft benadrukt dat het op 18 mei 2006 ter inzage gelegde ontwerp-bestemmingsplan "Woongebied Oosterdel" is bedoeld om de situatie dat voor een gebied twee verschillende bestemmingsplannen van kracht zijn, te wijzigen in de situatie van één geldend bestemmingsplan voor dat gebied. De uitgangspunten van het vigerende bestemmingsplan, waaronder het beginsel dat een garage voor een woning buiten het bouwvlak niet is toegestaan, blijven gehandhaafd. Overigens is ter zitting naar voren gebracht dat dit ontwerp-bestemmingsplan wegens onjuistheden omtrent de publicatie daarvan opnieuw in procedure zal worden gebracht.

[appellante] heeft ten slotte ter zitting naar voren gebracht dat door de gemeenteraad van Langedijk een motie is aangenomen om in het nieuwe bestemmingsplan ruimere bebouwingsmogelijkheden op te nemen. Nu deze motie van na de beslissing op bezwaar van 16 juni 2006 dateert, kan zij, wat er ook van zij, in de onderhavige procedure niet relevant worden geacht.

Nu in hetgeen is aangevoerd geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn gelegen en zich evenmin een relevante wijziging van het recht voordoet, was er geen plaats voor rechterlijke toetsing van het besluit van 16 juni 2006. De rechtbank is tot dezelfde conclusie gekomen.

Het betoog faalt.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. B. van Wagtendonk, voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. C.J.M. Schuyt, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.W. Wijers, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Wagtendonk w.g. Wijers

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2008

444