Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD7379

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-07-2008
Datum publicatie
16-07-2008
Zaaknummer
200707445/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 maart 2005 heeft het dagelijks bestuur van het waterschap De Dommel (hierna: het dagelijks bestuur) aan [vergunninghouder] ontheffing verleend voor het dempen en graven van een kavelsloot op de percelen kadastraal bekend gemeente […], sectie […], perceelsnummers […], […], […] en […].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200707445/1.

Datum uitspraak: 16 juli 2008

 

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaken nrs. 06/117 en 06/119 van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 5 september 2007 in het geding tussen:

[appellanten]

en

het dagelijks bestuur van het waterschap De Dommel.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 maart 2005 heeft het dagelijks bestuur van het waterschap De Dommel (hierna: het dagelijks bestuur) aan [vergunninghouder] ontheffing verleend voor het dempen en graven van een kavelsloot op de percelen kadastraal bekend gemeente […], sectie […], perceelsnummers […], […], […] en […].

Bij besluit van 30 november 2005 heeft het dagelijks bestuur het door [appellant A] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij besluit van 1 december 2005 heeft het dagelijks bestuur het door [appellant B] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 5 september 2007, verzonden op 12 september 2007, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) de door [appellant B] en [appellant A] tegen deze besluiten ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 oktober 2007, hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

[appellanten] hebben nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 mei 2008, waar [appellanten], in persoon, en het waterschap, vertegenwoordigd door mr. B.N. Heuer en ing. J.H.T. van der Helm, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 9.11.1, eerste lid, van de Verordening waterhuishouding Noord-Brabant 1997 (hierna: de Verordening), voor zover thans van belang, kan de kwantiteitsbeheerder, rekening houdend met de toegekende functie(s) van de oppervlaktewateren en in het waterhuishoudingsplan en beheersplan vastgelegde doelstellingen, ontheffing verlenen van de gebods- en verbodsbepalingen bij of krachtens de artikelen 9.3.2 en 9.5.1 en kan hij een verleende ontheffing wijzigen of intrekken.

Ingevolge artikel 9.3.2, tweede lid, zijn onderhoudsplichtigen van de oppervlaktewateren die op de legger voorkomen verplicht deze oppervlaktewateren voortdurend in de staat te houden zoals vermeld op de legger.

Ingevolge het derde lid moeten de onderhoudsplichtigen van de oppervlaktewateren die niet op de legger voorkomen deze oppervlaktewateren voortdurend houden op de afmetingen, die bij keur zijn bepaald.

Ingevolge artikel 10.A, eerste lid, aanhef en onder a, van de Keur oppervlaktewateren 1998 Waterschap De Dommel (hierna: de keur) is het verboden een oppervlaktewater aan te leggen, te verleggen, geheel of gedeeltelijk te dempen of in de afmetingen daarvan veranderingen aan te brengen.

Ingevolge artikel 16 kan het dagelijks bestuur, rekening houdend met de toegekende waterhuishoudkundige functies en de in het waterhuishoudingsplan en beheersplan vastgestelde doelstellingen voor de oppervlaktewateren, ontheffing verlenen van artikel 10.A en kan het een verleende ontheffing wijzigen of intrekken.

2.2. De vergunninghouder heeft op 22 februari 2005 een aanvraag ingediend voor het dempen van een kavelsloot en het graven van een nieuwe kavelsloot met als doel een rechte sloot als scheidingslijn te krijgen tussen zijn perceel en het perceel van zijn buurman. Het dagelijks bestuur heeft, met de overweging dat de gevraagde activiteit past binnen de functies en doelstellingen van het provinciale waterhuishoudingsplan en het waterbeheerplan van waterschap De Dommel, de ontheffing krachtens de artikelen 9.11.1, eerste lid, van de Verordening en artikel 16 van de keur verleend.

In het besluit op het door [appellanten] tegen deze ontheffing gemaakte bezwaar heeft het dagelijks bestuur overwogen dat het uitgangspunt van de verlegging van de kavelsloot is dat de waterhuishouding ter plaatse ongewijzigd blijft, hetgeen ook is vastgelegd in de ontheffing, en dat de kavelsloot geen overwegend belang heeft in de zin van wateraanvoer en -afvoer. Op basis daarvan heeft het de bezwaren ongegrond verklaard.

2.3. [appellanten] hebben ter zitting verklaard te lijden van wateroverlast op hun percelen, met name in regenachtige perioden. Dit is voor hen aanleiding om tegen het besluit om ontheffing te verlenen voor het dempen en graven van de kavelsloot beroep en hoger beroep aan te tekenen. Onderwerp van het hoger beroep bij de Afdeling is de beslissing van de rechtbank op het beroep tegen de ongegrondverklaring van het bezwaar tegen de ontheffing. Voor zover [appellanten] gronden aanvoeren met betrekking tot onderwerpen die niet samenhangen met dit besluit, kunnen die in dit hoger beroep niet aan de orde komen.

2.4. [appellanten] betogen tevergeefs dat de rechtbank heeft miskend dat vertegenwoordigers van het waterschap De Dommel bij de rechtbank valse verklaringen hebben afgelegd over de DHV rapportage 2002 en de ontwatering van de waterloop langs de Mijlstraat. Met de weinig specifieke verwijzing naar de door hen ingediende aanvullende bezwaarschriften, stukken en bijlagen onderbouwen [appellanten] onvoldoende waaruit die valse verklaringen zouden bestaan, zodat dit betoog niet slaagt.

2.5. Hetgeen [appellanten] verder betogen, komt in hoofdzaak neer op een herhaling van hetgeen zij bij de rechtbank hebben aangevoerd, in het bijzonder dat door de ontheffing afzonderlijke afwateringsgebieden met elkaar zouden worden verbonden en dat daardoor de afwateringssituatie op hun percelen zou verslechteren. In dit betoog is, zoals de rechtbank terecht en op goede gronden heeft overwogen, geen grond te vinden voor het oordeel dat het college de ontheffing niet had mogen verlenen. Terecht heeft de rechtbank overwogen dat het niet aannemelijk is dat de theoretische mogelijkheid dat water van de watergang van de Mijlstraat via de verlegde sloot in de BS64 stroomt, gelet op de bovenstroomse ligging van de percelen van [appellanten] ten opzichte van dit instroompunt, tot een verslechtering van hun afwateringssituatie zou kunnen leiden. Dat dit, zoals [appellanten] ter zitting betoogden, anders zou kunnen zijn indien de duikers benedenstrooms zouden worden verhoogd, kan in dit hoger beroep niet aan de orde komen omdat dit buiten de grenzen van het geding valt.

2.6. Voor zover [appellanten] in hun hoger beroep bezwaren inbrengen tegen het naar hun mening gebrekkige onderhoud van de watergang langs de Mijlstraat en van BS64, de watergangen waartussen voor het graven van de verlegde sloot ontheffing is verleend, kan hierop niet worden ingegaan omdat dit onderhoud thans niet in het geding is.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. S.F.M. Wortmann en mr. B.P. Vermeulen, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.U. Kallan, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink w.g. Kallan

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2008

164-554.