Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD7375

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-07-2008
Datum publicatie
16-07-2008
Zaaknummer
200707032/1 en 200707036/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 juni 2005 heeft het algemeen bestuur van het waterschap De Dommel de Keur oppervlaktewateren Waterschap De Dommel 2005 (hierna: de keur) en de daarbij horende keurkaarten vastgesteld en de Keur oppervlaktewateren 1998 Waterschap De Dommel ingetrokken. Bij besluit van 6 juli 2005 heeft het dagelijks bestuur van het waterschap De Dommel de Beleidsregels 'Gebiedsgericht vergunningen- en ontheffingenbeleid Waterschap de Dommel 2005' (hierna: de beleidsregels) vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200707032/1 en 200707036/1.

Datum uitspraak: 16 juli 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraken in zaak nr. 06/2004 en zaak nr. 06/2005 van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 31 augustus 2007 in de gedingen tussen:

[appellant A] en [appellant B]

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 juni 2005 heeft het algemeen bestuur van het waterschap De Dommel de Keur oppervlaktewateren Waterschap De Dommel 2005 (hierna: de keur) en de daarbij horende keurkaarten vastgesteld en de Keur oppervlaktewateren 1998 Waterschap De Dommel ingetrokken. Bij besluit van 6 juli 2005 heeft het dagelijks bestuur van het waterschap De Dommel de Beleidsregels 'Gebiedsgericht vergunningen- en ontheffingenbeleid Waterschap de Dommel 2005' (hierna: de beleidsregels) vastgesteld.

Bij besluiten van 7 maart 2006, nrs. 1172366 en 1172370, heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) het door [appellant A] en [appellant B] tegen genoemde besluiten ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard voorzover het de vaststelling van de beleidsregels betrof, en het beroep voor het overige ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 31 augustus 2007, in zaak nr. 06/2004, verzonden op 6 september 2007, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het door [appellant A] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Bij uitspraak van dezelfde datum, in zaak nr. 06/2005, verzonden op 6 september 2007, heeft de rechtbank het door [appellant B] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraken zijn aangehecht.

Tegen deze uitspraken hebben [appellant A] en [appellant B] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 oktober 2007, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant A] en [appellant B] hebben nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 mei 2008, waar [appellant A] en [appellant B], in persoon, het college, vertegenwoordigd door mr. R.R.J.W. van Goethem en het algemeen bestuur van het waterschap De Dommel, vertegenwoordigd door drs. M.A.A. Strikker en mr. B.N. Heuer, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 78 van de Waterschapswet maakt het algemeen bestuur de verordeningen die het nodig oordeelt voor de behartiging van de taken die het waterschap zijn opgedragen.

Ingevolge artikel 80, eerste lid, wordt het ontwerp van het besluit tot vaststelling of wijziging van een keur tegelijk met de terinzagelegging daarvan toegezonden aan de besturen van de gemeenten in het gebied waarvan de keur van toepassing zal zijn.

Ingevolge artikel 153, eerste lid, aanhef en onder c, kunnen belanghebbenden administratief beroep instellen bij gedeputeerde staten tegen de in artikel 80, eerste lid, bedoelde besluiten betreffende de vaststelling of wijziging van een keur.

Ingevolge artikel 155 kan, in afwijking van artikel 8:2, onderdeel a, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), beroep worden ingesteld tegen een besluit van gedeputeerde staten ingevolge artikel 153, eerste lid, onderdeel c.

2.2. [appellant A] en [appellant B] hebben gezamenlijk administratief beroep ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van de nieuwe keur en de intrekking van de oude keur en tegen het besluit tot de vaststelling van de beleidsregels. Tegen de aan [appellant A] en [appellant B] afzonderlijk gerichte, doch inhoudelijk identieke besluiten op dit beroep hebben zij bij twee afzonderlijke door hen beiden ondertekende beroepschriften beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft twee uitspraken gedaan, waarbij in zaak nr. 06/2004 [appellant A] als procespartij is aangemerkt en in zaak nr. 06/2005 [appellant B]. Tegen deze uitspraken hebben [appellant A] en [appellant B] een door hen beiden ondertekend hoger beroepschrift ingediend. De Afdeling zal het hoger beroep tegen beide uitspraken daarom gevoegd behandelen en één uitspraak wijzen.

2.3. [appellant A] en [appellant B] hebben ter zitting verklaard te lijden van wateroverlast op hun percelen, met name in regenachtige perioden. Dit is voor hen aanleiding om tegen het besluit tot vaststelling van de nieuwe keur beroep en hoger beroep aan te tekenen. Onderwerp van het hoger beroep bij de Afdeling is de beslissing van de rechtbank op het beroep tegen het besluit tot vaststelling van de keur. Voor zover [appellant A] en [appellant B] gronden aanvoeren met betrekking tot onderwerpen die niet samenhangen met dit besluit, kunnen die in dit hoger beroep niet aan de orde komen.

2.4. Voor zover [appellant A] en [appellant B] beogen hoger beroep in te stellen tegen de vaststelling van de beleidsregels, is dit reeds gelet op artikel 6:13 van de Awb in samenhang met artikel 6:24 van de Awb niet-ontvankelijk, omdat zij tegen het besluit van het dagelijks bestuur van 6 juli 2005 geen beroep bij de rechtbank hebben ingesteld.

2.5. [appellant A] en [appellant B] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat de nieuwe keurbegrenzing in strijd is met het beleid van de provincie Noord-Brabant omdat de keurbeschermings- en attentiegebieden te ruim zijn ingetekend op de kaart. Daardoor zijn hun gronden ten onrechte als keurbeschermings- en attentiegebied aangewezen en daardoor lijden zij schade. Bovendien heeft de rechtbank miskend dat ten onrechte de lijst met diameters van duikers is komen te vervallen, aldus [appellant A] en [appellant B].

2.5.1. In beroep bij de rechtbank is onder meer aangevoerd dat [appellant A] door de vaststelling van de keur economische schade lijdt en dat hij geestelijke en fysieke schade lijdt. De rechtbank heeft overwogen dat dit niet nader wordt onderbouwd en dat [appellant A] door de vaststelling van de keur niet in een nadeliger positie komt.

Het betoog van [appellant A] en [appellant B] dat hun landbouwgronden ten onrechte zijn aangewezen als keurbeschermings- en attentiegebied en dat zij daardoor schade lijden, faalt. Zoals ter zitting is toegelicht, leidt deze wijziging van de keur niet tot een wijziging in de feitelijke waterhuishouding, omdat daarvoor nog afzonderlijke besluiten nodig zijn. De rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat [appellant A] door de vaststelling van de keur niet in een nadeliger positie komt. Tegen afzonderlijke besluiten welke leiden tot een wijziging in de feitelijke waterhuishouding, kunnen [appellant A] en [appellant B], indien zij daardoor rechtstreeks in hun belang worden getroffen, in rechte opkomen.

2.5.2. Met betrekking tot het betoog dat de rechtbank heeft miskend dat de keur in strijd is met het beleid van de provincie Noord-Brabant, heeft het college zich op het standpunt gesteld dat de begrenzing op de keurkaarten is gebaseerd op de provinciale begrenzing van de beschermde gebieden in de Verordening waterhuishouding Noord-Brabant 2005 en de oude keurbeschermingsgebieden, voorzover die niet in de provinciale verordening waren opgenomen. Dit ligt in de lijn van het vigerende provinciale Waterhuishoudingsplan, aldus het college. Bovendien is de provinciale begrenzing in de Verordening waterhuishouding volgens het college gebaseerd op het provinciaal ruimtelijk beleid, met name de begrenzing van de GHS-natuur, en het streekplan van 2002, dat mede zijn basis vindt in het provinciale natuurbeleid (EHS-begrenzing 2002).

[appellant A] en [appellant B] onderbouwen niet waarom de keur in strijd zou zijn met het beleid van de provincie Noord-Brabant, doch voeren slechts aan dat de hydrologische situatie van hun landbouwpercelen ertoe zou nopen dat de keurbegrenzing buiten hun landbouwpercelen zou moeten worden gehouden. Nu daarvoor geen steun kan worden gevonden in het beleid, noch aan dit aspect doorslaggevende betekenis dient te worden toegekend bij de vormgeving van dit beleid, kan dit betoog niet slagen. Dat, zoals [appellant A] en [appellant B] stellen, de oude keurbegrenzing die gold voor 2000 voor hen gunstiger was dan de begrenzing die is aangeduid op de bij de nieuwe keur behorende kaart, maakt dit niet anders.

2.5.3. [appellant A] en [appellant B] betogen eveneens tevergeefs dat de rechtbank heeft miskend dat ten onrechte de lijst met diameters van duikers is komen te vervallen. Terecht heeft de rechtbank overwogen dat het waterschap binnen de provinciale beleidskaders bij het vaststellen van de keur een grote mate van beleidsvrijheid toekomt. Het waterschap heeft met de motivering dat met een ontheffingenstelsel meer sturing mogelijk is, zodat ongewenste verdroging van een gebied effectiever kan worden bestreden, de keuze gemaakt voor een ontheffingenstelsel in plaats van de voorheen bestaande lijst met diameters van duikers. Daarmee heeft het waterschap de hem toekomende beleidsvrijheid niet overschreden.

2.6. Op het betoog dat het waterschap zelf de keur overtreedt en de keur onvoldoende handhaaft, kan niet worden ingegaan omdat in dit hoger beroep de vaststelling van de keur in geding is en niet een eventuele overtreding van deze keur. Dat met betrekking tot de feitelijke overtredingen van de keur handhavend kan worden opgetreden, kan in deze procedure derhalve niet aan de orde komen.

2.7. Het hoger beroep is, voor zover ontvankelijk, ongegrond en de aangevallen uitspraken dienen te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk voor zover dit is gericht tegen de vaststelling van de Beleidsregels 'Gebiedsgericht vergunningen- en ontheffingenbeleid Waterschap de Dommel 2005';

II. bevestigt de aangevallen uitspraken voor het overige.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. S.F.M. Wortmann en mr. B.P. Vermeulen, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.U. Kallan, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink w.g. Kallan

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2008

164-554.