Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD7371

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-07-2008
Datum publicatie
16-07-2008
Zaaknummer
200705785/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 juli 2007, kenmerk 2007-36718, heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland (hierna: het college) beslist over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Bloemendaal (hierna: de raad) bij besluit van 7 december 2006 vastgestelde bestemmingsplan "Duinlustpark" (hierna: het plan).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200705785/1.

Datum uitspraak: 16 juli 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. de stichting Stichting Schapenduinen, gevestigd te Bloemendaal,

2. [appellanten sub 2], beiden wonend te [woonplaats],

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 3 juli 2007, kenmerk 2007-36718, heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland (hierna: het college) beslist over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Bloemendaal (hierna: de raad) bij besluit van 7 december 2006 vastgestelde bestemmingsplan "Duinlustpark" (hierna: het plan).

Tegen dit besluit hebben de stichting Stichting Schapenduinen (hierna: Stichting Schapenduinen) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 augustus 2007, en [appellanten sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 augustus 2007, beroep ingesteld. De Stichting Schapenduinen heeft haar beroep aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 september 2007. [appellanten sub 2] hebben hun beroep aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 september 2007.

De Woningbouwvereniging Brederode, die in de gelegenheid is gesteld als partij aan het geding deel te nemen, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 juni 2008, waar het college, vertegenwoordigd door mr. Y.H.M. Huisman, ambtenaar in dienst van de provincie, is verschenen. Voorts zijn daar gehoord de raad, vertegenwoordigd door mr. M. Goosens en ing. K.H. Troost, ambtenaren in dienst van de gemeente, en de Woningbouwvereniging Brederode, vertegenwoordigd door haar [directeur].

2. Overwegingen

2.1. Het beroep van de Stichting Schapenduinen, voor zover gericht tegen de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Groenvoorzieningen (G)" ten zuiden van de C. Schulzlaan, steunt niet op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze.

Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, aanhef en onder d, en 56, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 27 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) en artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), kan door een belanghebbende slechts beroep worden ingesteld tegen het besluit tot goedkeuring van het college, voor zover dit beroep de goedkeuring van plandelen, voorschriften of aanduidingen betreft die de belanghebbende in een tegen het ontwerpplan bij de raad naar voren gebrachte zienswijze heeft bestreden.

Dit is slechts anders voor zover de raad bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen heeft aangebracht ten opzichte van het ontwerp, dan wel indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij ter zake geen zienswijze naar voren heeft gebracht. Geen van deze omstandigheden doet zich, voor zover voor het beroep van de Stichting Schapenduinen van belang, voor. Geen rechtvaardiging is gelegen in de stelling van de Stichting Schapenduinen dat het beroep, voor zover gericht tegen het voornoemde plandeel, in de zienswijze naar voren is gebracht in het kader van het pleidooi voor de bescherming van de aan het landgoed Schapenduinen grenzende gebieden, nu uit de zienswijze niet kan worden afgeleid dat de bezwaren van de Stichting Schapenduinen niet enkel zijn gericht op de in het plan opgenomen wijzigingsbevoegdheid maar ook zien op het voornoemde plandeel.

Het beroep van de Stichting Schapenduinen is dan ook niet-ontvankelijk voor zover dit ziet op het plandeel met de bestemming "Groenvoorzieningen (G)" ten zuiden van de C. Schulzlaan.

2.2. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de WRO, gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Awb, rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.3. Het plan voorziet in een actuele planologische regeling voor het gebied tussen de dorpskern Bloemendaal en de dorpskern Santpoort-Zuid, gemeente Velsen. Het gebied wordt globaal begrensd door de Brederodelaan aan de noordwestzijde, de grens van de gemeente Velsen aan de noordoostzijde en het gebied Schapenduinen, dat onderdeel uitmaakt van het natuurgebied Kennemerland-Zuid, aan de zuidzijde. Het plan is hoofdzakelijk consoliderend van aard. Het college heeft het plan goedgekeurd.

2.4. [appellanten sub 2], die zich richten tegen de goedkeuring van de plandelen met de bestemmingen "Tuin (T)" en "Erf (E)" ter plaatse van hun perceel Pinellaan 10, stellen dat het college ten onrechte geen eigen belangenafweging heeft gemaakt, nu in het bestreden besluit slechts wordt verwezen naar stukken van het gemeentebestuur. Voorts heeft volgens [appellanten sub 2] ten onrechte geen hoorzitting plaatsgevonden.

2.4.1. Zoals het college terecht heeft aangegeven, is per 1 juli 2005 de hoorplicht ingevolge artikel 27, derde lid, van de WRO komen te vervallen. Gelet op het feit dat het ontwerpplan na 1 juli 2005 ter inzage is gelegd, was het college niet wettelijk verplicht om H. Stokvis en [appellanten sub 2] te horen in het kader van de door hen in deze bestemmingsplanprocedure ingebrachte bedenkingen. Voorts is gesteld noch gebleken van bijzondere omstandigheden die tot een dergelijke hoorplicht zouden nopen.

Voorts valt er geen rechtsregel aan te wijzen op basis waarvan zou moeten worden geoordeeld dat het het college niet vrijstaat om aan te sluiten bij het standpunt van de raad dan wel bij de stukken die het gemeentebestuur naar voren heeft gebracht.

2.5. De Stichting Schapenduinen richt zich tegen de in artikel 14 van de planvoorschriften opgenomen wijzigingsbevoegdheid. Zij stelt in beroep dat een onderzoek naar de luchtkwaliteit ten onrechte niet ter inzage heeft gelegen. Voorts stelt zij dat het college de toename van de verkeersintensiteit te laag heeft ingeschat. Volgens de Stichting Schapenduinen is onvoldoende rekening gehouden met de verkeerstoename ten gevolge van de bouw van maximaal acht extra woningen mede bezien in het licht van ontwikkelingen in de omgeving. Dientengevolge is het onderzoek naar de luchtkwaliteit volgens de Stichting Schapenduinen ondeugdelijk.

2.5.1. Ingevolge artikel 14 van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, is het college van burgemeester en wethouders bevoegd voor de op de plankaart aangewezen gronden I en II (het wijzigingsgebied) het plan overeenkomstig het bepaalde in artikel 11 van de WRO als volgt te wijzigen:

(…);

4. het aantal woningen in wijzigingsgebied I en II tezamen mag met maximaal acht worden vermeerderd;

(…).

2.5.2. In de plantoelichting is een paragraaf opgenomen waarin wordt ingegaan op de gevolgen van het plan voor de luchtkwaliteit. Daarbij wordt onder meer aangegeven welke aannames zijn gehanteerd ten aanzien van de verkeersintensiteiten en met behulp van welke methode is berekend of wordt voldaan aan de grenswaarden van het Besluit luchtkwaliteit 2005 (hierna: Blk 2005). Onbestreden is dat de plantoelichting ter inzage heeft gelegen.

Aan de berekeningen heeft geen apart rapport ten grondslag gelegen. Ter zitting heeft het college toegelicht dat, gelet op de kleinschalige ontwikkelingen die in het plan zijn voorzien, geen nader onderzoek naar de luchtkwaliteit heeft plaatsgevonden.

2.5.3. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de Stichting Schapenduinen niet aannemelijk gemaakt dat het college in navolging van de raad is uitgegaan van te lage verkeersintensiteiten. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het bestreden planonderdeel slechts voorziet in de bouw van maximaal acht extra woningen. Het college is in dit kader aangesloten bij de onderzoeken die zijn uitgevoerd ten behoeve van het bestemmingsplan "Meer en Berg" en heeft zich op het standpunt gesteld dat de aannames ten aanzien van de verkeersintensiteiten worden bevestigd door de resultaten van die onderzoeken. Onder verwijzing naar haar uitspraak van 31 oktober 2007, no. <a target="_blank" href="http://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken_in_uitspraken/zoekresultaat/?zoeken_veld=200607320/1&verdict_id=18616&utm_id=1&utm_source=Zoeken_in_uitspraken&utm_campaign=uitspraken&utm_medium=internet&utm_content=200607320/1&utm_term=200607320/1">200607320/1</a>, overweegt de Afdeling dat de Stichting Schapenduinen onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het college de gevolgen van de herinrichting van de Kennemerweg onjuist heeft ingeschat en voorts dat geen aanknopingspunt bestaat voor het oordeel dat het college is uitgegaan van een te lage toename van de verkeersintensiteit op de Brederodelaan vanwege Park Brederode. De Stichting Schapenduinen heeft geen gegevens overgelegd waaruit zou volgen dat het college thans niet ook van deze aannames heeft kunnen uitgaan.

2.5.4. Bij zijn beoordeling is het college ervan uitgegaan dat, gelet op de resultaten van de luchtkwaliteitonderzoeken die zijn verricht in het kader van het bestemmingsplan "Meer en Berg", toepassing van de wijzigingsbevoegdheid uit het thans voorliggende plan niet zal leiden tot een overschrijding van de grenswaarden uit het Blk 2005 en nader onderzoek naar de effecten van de bouw van maximaal acht extra woningen op de luchtkwaliteit achterwege kon blijven. Hierbij heeft het college zich in navolging van de raad op het standpunt gesteld dat, gelet op de omstandigheid dat het bestreden planonderdeel slechts mogelijk maakt dat wordt voorzien in de bouw van maximaal acht extra woningen, een juridisch relevante verslechtering van de luchtkwaliteit ter plaatse redelijkerwijs is uit te sluiten. De Afdeling ziet geen aanleiding dit standpunt voor onjuist te houden.

2.6. De Stichting Schapenduinen vreest voorts dat de verkeerstoename ten gevolge van de bouw van maximaal acht extra woningen leidt tot significante gevolgen voor het natuurgebied Kennemerland-Zuid ter hoogte van landgoed Schapenduinen. Volgens de Stichting Schapenduinen zijn deze gevolgen niet goed onderzocht en is de wijzigingsbevoegdheid derhalve niet uitvoerbaar. Ter onderbouwing wijst de Stichting Schapenduinen op twee rapporten van ecologisch adviesbureau Els & Linde en een briefrapport van adviesbureau Alterra over de depositie van stikstof. Voorts stelt de Stichting Schapenduinen dat een ontheffing op grond van de Flora- en faunawet (hierna: Ffw) niet kan worden verleend.

2.6.1. Bij beschikking van 7 december 2004 van de Europese Commissie (Pb L 387) is natuurgebied Kennemerland-Zuid geplaatst op de lijst van gebieden van communautair belang voor de Atlantische biogeografische regio. Zodra een gebied op deze lijst is geplaatst, gelden voor dat gebied op grond van artikel 4, vijfde lid, van de Richtlijn 92/42/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en wilde flora en fauna (hierna: de Habitatrichtlijn) de bepalingen van artikel 6, tweede, derde en vierde lid, van deze richtlijn. Het gebied is vooralsnog niet aangewezen op grond van artikel 10a van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998), noch voorlopig aangewezen als bedoeld in artikel 12, derde lid, van de Nbw 1998. Hieruit volgt dat artikel 19j van de Nbw 1998 in zoverre niet geldt voor dit gebied. De mogelijke effecten van het plan op het gebied Kennemerland-Zuid zullen moeten worden beoordeeld op grond van de rechtstreekse werking van artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn.

2.6.2. Natuurgebied Kennemerland-Zuid is aangemeld bij de Europese Commissie vanwege het voorkomen in dit gebied van de habitattypen embryonale wandelende duinen, wandelende duinen op de strandwal met Ammophila arenaria ('witte duinen'), vastgelegde kustduinen met kruidvegetatie ('grijze duinen'), Atlantische vastgelegde ontkalkte duinen (Calluno-Ulicetea), duinen met Hippophaë rhamnoides, duinen met Salix repens ssp. argentea (Salicion arenariae), beboste duinen van het Atlantische, continentale en boreale gebied en vochtige duinvalleien alsmede de habitatsoorten nauwe korfslak en groenknolorchis.

Ter voldoening aan artikel 10a van de Nbw 1998 is het ontwerpaanwijzingsbesluit Kennemerland-Zuid vastgesteld en ter inzage gelegd. Ingevolge dit ontwerpbesluit heeft de instandhoudingsdoelstelling mede betrekking op de instandhouding van de gevlekte witsnuitlibel.

2.6.3. Vast staat dat de in het plan opgenomen wijzigingsbevoegdheid de bouw van acht extra woningen mogelijk maakt in een gebied waar reeds woningbouw aanwezig is. Ter zitting is door de raad aangegeven dat geen wijzigingen zullen optreden aan de wegenstructuur. Het college stelt zich op het standpunt dat de toename van verkeer op de Brederodelaan ten gevolge van de in het plan opgenomen wijzigingsbevoegdheid zeer gering zal zijn en dat het plan niet tot significante gevolgen leidt voor het natuurgebied Kennemerland-Zuid. De Afdeling ziet in hetgeen de Stichting Schapenduinen heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het college bij zijn beoordeling is aangesloten bij de onderzoeken die zijn uitgevoerd ten behoeve van het bestemmingsplan "Meer en Berg" en dat de resultaten van deze onderzoeken de stelling van het college bevestigen. In haar voornoemde uitspraak van 31 oktober 2007 heeft de Afdeling onder 2.8.15. dienovereenkomstig geoordeeld: "Gezien het vorenstaande (…) ziet de Afdeling in hetgeen appellanten hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de toename van de verkeersintensiteit op de Brederodelaan in zuidelijke richting geen significante gevolgen heeft voor natuurgebied Kennemerland-Zuid.".

De Stichting Schapenduinen heeft niet aannemelijk gemaakt dat het college niet van deze onderzoeken heeft kunnen uitgaan. Voor zover de Stichting Schapenduinen stelt dat ten onrechte niet is onderzocht welke effecten de bouw van maximaal acht extra woningen heeft op de gevlekte witsnuitlibel overweegt de Afdeling dat ten behoeve van het bestemmingsplan "Meer en Berg" onderzoek is verricht naar het voorkomen van libellen in de omgeving van de Brederodelaan. Van onvoldoende onderzoek is niet gebleken. De Stichting Schapenduinen heeft niet aannemelijk gemaakt dat de uit dat onderzoek voortkomende conclusie dat in de omgeving van de Brederodelaan geen beschermde libellen voorkomen, onjuist is. Geconcludeerd moet daarom worden dat de Habitatrichtlijn in zoverre niet aan de wijzigingsbevoegdheid in de weg staat.

2.6.4. Ten aanzien van de Ffw overweegt de Afdeling het volgende. De vragen of voor de uitvoering van het plan een vrijstelling geldt, dan wel een ontheffing op grond van de Ffw nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komen in beginsel pas aan de orde in een procedure op grond van de Ffw. Dat doet er niet aan af dat het college geen goedkeuring aan de wijzigingsbevoegdheid had kunnen verlenen, indien en voor zover hij op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Ffw aan de uitvoerbaarheid van het plan in zoverre in de weg staat.

2.6.5. Onbestreden is dat het gemeentebestuur onderzoek heeft verricht naar de aanwezige beschermde en bedreigde soorten in het plangebied en de directe omgeving. Dit onderzoek, gedateerd 17 januari 2006, is neergelegd in bijlage 2 van de plantoelichting. Volgens deze bijlage zijn de effecten van het plan, gelet op het conserverende karakter ervan, op de gunstige staat van instandhouding van beschermde natuurwaarden beperkt.

Ter zitting is door de raad en het college gesteld dat in het gebied waarop de wijzigingsbevoegdheid van toepassing is, geen beschermde soorten in de zin van de Ffw voorkomen hetgeen ter zitting is bevestigd door de Woningbouwvereniging Brederode die in het kader van een bouwplan onderzoek heeft laten verrichten naar de aanwezige natuurwaarden. Verder vinden geen ingrepen plaats aan de Brederodelaan. Ook anderszins is van mogelijke verstorende effecten niet gebleken. Ter zitting is gelet hierop door de raad en het college aangegeven dat voor de verwezenlijking van de acht extra woningen een ontheffing op grond van de Ffw niet is vereist. De Afdeling acht niet aannemelijk gemaakt dat dit standpunt onjuist is. In hetgeen de Stichting Schapenduinen heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de Ffw niet aan de uitvoerbaarheid van de wijzigingsbevoegdheid in de weg staat.

2.7. De conclusie is dat hetgeen de Stichting Schapenduinen heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de wijzigingsbevoegdheid niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van de Stichting Schapenduinen is, voor zover ontvankelijk, ongegrond.

2.8. [appellanten sub 2] stellen dat het plan ten onrechte niet voorziet in een positieve bestemming voor een tuinberging aan de voorzijde van hun woning.

2.8.1. De gronden van [appellanten sub 2] aan de voorzijde van hun woning hebben de bestemming "Tuin (T)".

Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de op de plankaart als "Tuin (T)" aangewezen gronden bestemd voor tuin, alsmede voor water ten behoeve van de waterhuishouding.

Ingevolge het tweede lid van dat artikel zijn op de gronden met de bestemming "Tuin (T)" in het bestemmingsvlak toegelaten:

a. andere bouwwerken;

b. bij tussenwoningen zonder achterpad: fietsenberging;

c. werken.

Ingevolge artikel 1, onder 3, wordt onder een ander bouwwerk verstaan een bouwwerk, geen gebouw zijnde.

2.8.2. Hoewel ter zitting is gebleken dat de in het beroepschrift aangehaalde tuinberging is afgebroken en is vervangen door een vergunningsvrij bouwwerk, vat de Afdeling het beroep van [appellanten sub 2] zodanig op dat zij een grotere tuinberging wensen aan de voorzijde van hun woning dan het thans aanwezige bouwwerk. Onbestreden is dat de voorschriften voor de bestemming "Tuin (T)" de door [appellanten sub 2] gewenste tuinberging niet toelaten. Gebleken is dat bij de vaststelling van het plan en meer specifiek bij de vaststelling van artikel 9 van de planvoorschriften de gemeentelijke nota 'Nota Erfregeling' als uitgangspunt heeft gegolden en dat is gekozen voor een invulling waarbij tuinbergingen niet zijn toegestaan binnen de bestemming "Tuin (T)".

Niet in geschil is dat het door [appellanten sub 2] voorheen opgerichte bouwwerk niet was toegestaan onder het vorige bestemmingsplan. Gelet hierop en op het gemeentelijke beleid dat als uitgangspunt bij de vaststelling van het nu voorliggende plan heeft gegolden heeft het college zich in navolging van de raad in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen aanleiding bestaat om de door [appellanten sub 2] gewenste bouwmogelijkheden in het plan op te nemen. De op dit punt gewijzigde vaststelling van het plan is, gelet op het vorenstaande, door de raad voldoende gemotiveerd.

2.9. [appellanten sub 2] stellen dat de bestemming "Erf (E)" ten onrechte niet tot aan de voorgevel van hun woning is gelegd. Volgens [appellanten sub 2] leidt de huidige bestemmingsregeling ertoe dat hun bebouwingsmogelijkheden door de vorm van het perceel zijn geconcentreerd op een relatief klein deel van hun gronden. [appellanten sub 2] wensen een schuur naast het huis te plaatsen.

2.9.1. Bij de vaststelling van de bestemmingsregeling ten aanzien van de bestemming "Erf (E)" heeft de gemeentelijke nota 'Nota Erfregeling' als uitgangspunt gegolden. Niet in geschil is dat, gelet op deze nota, uitgangspunt is dat de bestemmingsgrens van de bestemming "Erf (E)" halverwege de zijgevel van woningen wordt gelegd.

2.9.2. Het college stelt zich in navolging van de raad op het standpunt dat de gronden van [appellanten sub 2] waaraan de bestemming "Erf (E)" is toegekend, ruimte bieden voor de verwezenlijking van erfbebouwing en dat derhalve geen aanleiding bestaat tot het verleggen van de bestemmingsgrens. Naar het oordeel van de Afdeling is, mede gelet op de plankaart, niet gebleken dat niet van de juistheid van deze stelling kan worden uitgegaan. Het college heeft zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de vorm van het perceel van [appellanten sub 2] niet noopte tot het, in afwijking van het beleid, verleggen van de bestemmingsgrens tot aan de voorgevel van de woning.

2.10. De conclusie is dat hetgeen [appellanten sub 2] hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit op deze punten anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellanten sub 2] is ongegrond.

2.11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van de Stichting Schapenduinen niet-ontvankelijk voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Groenvoorzieningen (G)" ten zuiden van de C. Schulzlaan;

II. verklaart het beroep van [appellanten sub 2] geheel en het beroep van de Stichting Schapenduinen voor het overige ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. M.W.L. Simons-Vinckx en drs. W.J. Deetman, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Bechinka, ambtenaar van Staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Bechinka

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2008

371-500.