Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD7348

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-07-2008
Datum publicatie
16-07-2008
Zaaknummer
200708169/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 maart 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Nijkerk (hierna: het college) een verzoek van [wederpartij] om elf moeraseiken en één moseik aan de [locatie] te [plaats] (hierna: de eiken) op de bomenlijst Nijkerk te plaatsen niet ingewilligd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2008, 83
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200708169/1.

Datum uitspraak: 16 juli 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Nijkerk,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak nr. AWB 07/2646 van de rechtbank Arnhem van 17 oktober 2007 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Nijkerk.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 maart 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Nijkerk (hierna: het college) een verzoek van [wederpartij] om elf moeraseiken en één moseik aan de [locatie] te [plaats] (hierna: de eiken) op de bomenlijst Nijkerk te plaatsen niet ingewilligd.

Bij besluit van 24 mei 2007 heeft het college het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond en voor het overige ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 17 oktober 2007, verzonden op dezelfde datum, heeft de rechtbank Arnhem (hierna: de rechtbank) het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en bepaald dat de eiken op de bomenlijst Nijkerk worden geplaatst onder de categorie "waardevolle bomen". Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 november 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 december 2007.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 juni 2008, waar het college, vertegenwoordigd door J. Heiner, ambtenaar in dienst van de gemeente Nijkerk, en [wederpartij], in persoon, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Bij besluit van 21 februari 2002 heeft de gemeenteraad van Nijkerk de Bomenverordening Nijkerk (hierna: de Bomenverordening) vastgesteld.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Bomenverordening, voor zover thans van belang, is het verboden zonder vergunning van het college houtopstand te vellen of te doen vellen.

Ingevolge het tweede lid, onder a, is, voor zover thans van belang, de in het eerste lid bedoelde vergunning vereist voor het vellen of doen vellen van een boom die voorkomt op de lijst, bedoeld in artikel 3, eerste lid.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, stelt het college een lijst vast met bomen, waarvoor in beginsel geen vergunning wordt afgegeven, tenzij sprake is van een ernstige bedreiging van de openbare veiligheid, noodtoestand of andere uitzonderlijke situaties. De veranderingen op de lijst worden jaarlijks door het college vastgesteld.

Ingevolge het tweede lid bevat de in het eerste lid genoemde lijst drie categorieën van monumentale bomen en houtopstanden, namelijk:

- monumentale bomen (waaronder nationaal bij de Bomenstichting geregistreerde);

- waardevolle bomen;

- toekomstbomen.

2.2. Volgens het door het college op 19 december 2006 vastgestelde beleid behelst de categorie monumentale bomen de bomen die van landelijk belang zijn en bij de Bomenstichting zijn geregistreerd. De categorie waardevolle bomen behelst bomen die van gemeentelijk belang zijn. De categorie toekomstbomen behelst bomen die uit kunnen groeien tot waardevolle en monumentale bomen.

Voor plaatsing op de lijst gelden de volgende algemene voorwaarden:

1. de boom moet zonder het aanpassen van de standplaats duurzaam in stand te houden zijn. De standplaats, zijnde de onder- en bovengrondse ruimte van de boom, moet voldoende zijn om tot volle wasdom (monumentale staat), te kunnen uitgroeien.

2. De boom moet passen in het beleid van de gemeente Nijkerk ten aanzien van de openbare ruimte.

Verder gelden de volgende basisvoorwaarden:

1. De geschatte leeftijd is minimaal 80 jaar voor monumentale, 40 jaar voor waardevolle en 20 jaar voor toekomstbomen. Deze regel geldt echter niet voor herdenkingsbomen.

2. De boom is door zijn leeftijd en verschijning beeldbepalend, onvervangbaar voor het karakter van de omgeving en van plaatselijk belang.

3. De bomen mogen niet in een onherstelbare slechte conditie verkeren, volledig verval van de boom mag niet binnen tien jaar te verwachten zijn.

Bovendien dient de boom aan één van een aantal nader genoemde specifieke kenmerken te voldoen.

2.3. Bij besluit van 8 juli 2003 heeft het college de bomenlijst Nijkerk vastgesteld.

Bij besluit van 24 mei 2007 heeft het college de afwijzing van de aanvraag van [wederpartij] om de eiken op de bomenlijst Nijkerk te plaatsen gehandhaafd.

De rechtbank heeft dit besluit vernietigd wegens strijd met artikel 3, tweede lid, van de Bomenverordening, en met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht bepaald dat de bomen op de bomenlijst Nijkerk worden geplaatst onder de categorie waardevolle bomen, omdat zij van gemeentelijk belang zijn.

2.4. Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de in het beleid opgenomen voorwaarde dat bomen eerst voor plaatsing op de bomenlijst Nijkerk in aanmerking komen indien de standplaats voldoende is om tot monumentale staat te kunnen uitgroeien, tot een niet toegestane inperking van artikel 3, tweede lid, van de Bomenverordening leidt.

2.4.1. Het betoog slaagt. Ingevolge voormeld artikel, voor zover thans van belang, bevat de bomenlijst Nijkerk drie categorieën "monumentale bomen en houtopstanden", waaronder de categorie "waardevolle bomen". Gelet op de formulering van dit artikel, waarbij de kwalificatie "monumentale bomen en houtopstanden" ook ziet op de categorie "waardevolle bomen", behelst de in het beleid opgenomen voorwaarde dat bomen voor plaatsing op de bomenlijst Nijkerk in aanmerking komen indien de standplaats voldoende is om tot monumentale staat uit te kunnen groeien, geen inperking van voormeld artikel. Anders dan de rechtbank verder heeft overwogen, is het doel van de in artikel 3, eerste lid, van de Bomenverordening neergelegde jaarlijkse vaststelling, niet om op de lijst geplaatste bomen jaarlijks opnieuw te beoordelen, maar, zoals het college gemotiveerd heeft aangegeven, om bomen waarvoor een kapvergunning is verleend wegens ernstige bedreiging van de openbare veiligheid, noodtoestand of andere uitzonderlijke situaties, van de lijst te verwijderen.

2.5. Het college betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de in het beleid neergelegde specifieke kenmerken, aan één waarvan bomen moeten voldoen om op de bomenlijst Nijkerk te kunnen worden geplaatst, zodanig gespecificeerd zijn, dat deze niet kunnen dienen ter uitleg van artikel 3, tweede lid, van de Bomenverordening.

2.5.1. Ook dit betoog slaagt. Niet valt in te zien waarom de in het beleid neergelegde specifieke kenmerken strijd opleveren met voormeld artikel, nu uitgangpunt van het opstellen van de bomenlijst Nijkerk is dat bescherming geldt voor speciaal geselecteerde bomen.

2.6. De conclusie van het voorgaande is dat, anders dan de rechtbank heeft overwogen, voormelde in het beleid neergelegde voorwaarden en specifieke kenmerken niet onredelijk zijn te achten. De rechtbank heeft het besluit van 24 mei 2007 ten onrechte wegens strijd met artikel 3, tweede lid, van de Bomenverordening vernietigd. De rechtbank heeft eveneens ten onrechte met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb bepaald dat de eiken op de bomenlijst Nijkerk dienen te worden geplaatst omdat ze van gemeentelijk belang zijn. Daartoe is mede het navolgende van belang.

2.6.1. Het college heeft zich in redelijkheid op het standpunt mogen stellen dat de eiken niet op de bomenlijst Nijkerk worden geplaatst omdat zij niet voldoen aan de in het beleid opgenomen voorwaarde dat zij zonder aanpassing van de standplaats duurzaam in stand te houden zijn. Volgens het in opdracht van de gemeente opgestelde boomtechnisch rapport van Bomenwacht Nederland B.V. van 2 juni 2005 inzake twaalf bomen aan de [locatie] vormt de kwantiteit van de groeiplaats van de eiken een belemmering voor de instandhouding en verdere ontwikkeling van de bomen. Binnen de groenstrook is circa 19,8 m³ bewortelbare ruimte beschikbaar, terwijl uit de berekening van het benodigde doorwortelbare volume blijkt dat de eiken over 40 m³ dienen te beschikken voor het in standhouden en uitgroeien tot het gewenste eindbeeld. Er zijn geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het boomtechnisch rapport op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen, dan wel dusdanige gebreken vertoont dat het college dit niet aan het besluit van 24 mei 2007 ten grondslag heeft mogen leggen. De stelling van [wederpartij] dat slechts vier van de twaalf bomen zijn onderzocht mist feitelijke grondslag. Voorts heeft [wederpartij] zijn stelling dat de eiken van ecologisch grote waarde zijn niet aan de hand van een deskundigenrapport toegelicht, zodat het college hieraan voorbij mocht gaan. Het door [wederpartij] gedane beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt, nu het college gemotiveerd heeft aangegeven dat de door hem genoemde gevallen geen vergelijkbare standplaats hebben, dan wel geen eiken betreffen.

2.7. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 24 mei 2007 alsnog ongegrond verklaren.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 17 oktober 2007 in zaak nr. AWB 07/2646;

III. verklaart het bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. B. van Wagtendonk, voorzitter, en mr. D. Roemers en mr. K.J.M. Mortelmans, leden, in tegenwoordigheid van mr. T.E. Larsson-van Reijsen, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Wagtendonk w.g. Larsson-van Reijsen

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2008

344.