Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD7346

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-07-2008
Datum publicatie
16-07-2008
Zaaknummer
200802810/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 februari 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Limburg (hierna: het college) aan [verzoekster] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor haar inrichting voor het op- en overslaan en bewerken van legerdumpmaterieel en -machines, de handel in legerdumpmaterieel en -machines en het opslaan en demonteren van autowrakken, gelegen aan de [locatie 1] en [locatie 2] te [plaats]. Dit besluit is op 6 maart 2008 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200802810/2.

Datum uitspraak: 11 juli 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoekster], gevestigd te [plaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Limburg,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 februari 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Limburg (hierna: het college) aan [verzoekster] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor haar inrichting voor het op- en overslaan en bewerken van legerdumpmaterieel en -machines, de handel in legerdumpmaterieel en -machines en het opslaan en demonteren van autowrakken, gelegen aan de [locatie 1] en [locatie 2] te [plaats]. Dit besluit is op 6 maart 2008 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft [verzoekster] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 april 2008, beroep ingesteld.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, heeft [verzoekster] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 17 juni 2008, waar [verzoekster], vertegenwoordigd door mr. drs. W.J.W. van Eijk en mr. M. Bos, advocaten te ’s-Hertogenbosch, en ing. A.F. van Woensel, en het college, vertegenwoordigd door mr. J.J.A.G. Werkhoven, werkzaam bij de provincie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Ter zitting heeft [verzoekster] de grond inzake voorschrift 2.5.1 van de vergunning ingetrokken.

2.3. [verzoekster] betoogt dat voorschrift 2.1.2 onnodig bezwarend is, nu hierin voor de daar genoemde werkzaamheden een overkapping of gelijkwaardige voorziening wordt voorgeschreven. De thans aanwezige voorzieningen (een vloeistofdichte vloer met een opvanggoot die uitmondt in een olie-/benzineafscheider) zijn volgens [verzoekster] voldoende, temeer nu de desbetreffende werkzaamheden alleen bij droog weer worden verricht. Gezien de omvang van de legervoertuigen zou de overkapping qua vorm en formaat fors dienen te zijn. De bestaande overkapping is hiervoor volgens [verzoekster] niet groot genoeg.

2.3.1. Het college betoogt dat het ingevolge het Besluit beheer autowrakken (hierna: het Bba), dat van toepassing is op autowrakken met een gewicht van ten hoogste 3.500 kg, gehouden is ten aanzien van die autowrakken het onderhavige voorschrift aan de vergunning te verbinden. Sinds 29 oktober 2002, toen de toenmalige vergunning ambtshalve is aangepast aan het Bba, was ook al een voorschrift met dezelfde strekking aan de vergunning van [verzoekster] verbonden.

Voor zover het autowrakken met een gewicht van meer dan 3.500 kg betreft, betoogt het college dat in sectorplan 11 van het Landelijk Afvalbeheerplan 2002-2012 (hierna: het LAP), dat weliswaar slechts van toepassing is op autowrakken als bedoeld in het Bba, wordt aanbevolen om voor het beheer van andere autowrakken ook bij dit sectorplan aan te sluiten. In dit sectorplan wordt demontage volgens de voorschriften van het Bba aangemerkt als minimumstandaard, aldus het college. Gelet hierop heeft het college voorschrift 2.1.2 ook van toepassing verklaard op autowrakken met een gewicht van meer dan 3.500 kg.

2.3.2. In artikel 5, eerste lid, van het Bba is bepaald dat het bevoegd gezag de in de bijlage bij het besluit gestelde voorschriften verbindt aan een vergunning voor een inrichting voor het opslaan van vijf of meer autowrakken en aan een vergunning voor een inrichting voor het bewerken, verwerken, vernietigen of overslaan van autowrakken.

2.3.3. In de aanhef van paragraaf 2 van de vergunningvoorschriften is bepaald dat de voorschriften van deze paragraaf, met uitzondering van voorschrift 2.5.1, eveneens gelden voor autowrakken met een gewicht groter dan 3.500 kilogram.

In voorschrift 2.1.2 is bepaald dat het aftappen van vloeistoffen en het demonteren van vloeistof bevattende onderdelen, alsmede het opslaan van afgetapte vloeistoffen en gedemonteerde vloeistof bevattende onderdelen, geschiedt onder een overkapping of een gelijkwaardige voorziening die de vloeistofdichte vloer of voorziening afdoende tegen het inregenen beschermt.

2.3.4. Voorschrift 2.1.2 stemt overeen met voorschrift 2 van onderdeel A van de bijlage behorend bij artikel 5, eerste lid, van het Bba. Niet bestreden is dat het college ingevolge het Bba gehouden is dit voorschrift ten aanzien van autowrakken met een gewicht van ten hoogste 3.500 kg aan de vergunning te verbinden. Een voorschrift met deze strekking was ook reeds sinds 29 oktober 2002 opgenomen in de vergunning van [verzoekster].

Voorschrift 2.1.2 is eveneens van toepassing verklaard op autowrakken van meer dan 3.500 kilogram. Nu de inrichting hoe dan ook dient te beschikken over een overkapping en niet is gebleken dat de desbetreffende werkzaamheden aan autowrakken met een gewicht groter dan 3.500 kilogram niet kunnen plaatsvinden onder de bestaande overkapping, ziet de voorzitter in zoverre geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

2.4. [verzoekster] betoogt voorts dat voorschrift 2.3.1, nu dit van toepassing is verklaard op autowrakken van meer dan 3.500 kilogram, onnodig bezwarend is. De termijn van 10 dagen voor het aftappen, demonteren en opslaan van de daar genoemde stoffen is volgens [verzoekster] onnodig kort, omdat de autowrakken op een vloeistofdichte vloer worden gestald, waardoor het risico op bodemverontreiniging wordt weggenomen. Verder komen de partijen legermaterieel volgens [verzoekster] vaak in één bulklading binnen en is zij gezien de lage personeelsbezetting niet in staat deze werkzaamheden binnen de voorgeschreven termijn uit te voeren.

2.4.1. Het college betoogt dat het voorschrift, gezien de maximale hoeveelheid autowrakken die [verzoekster] volgens de aanvraag op enig moment in opslag heeft (10 stuks), niet onredelijk bezwarend is.

2.4.2. In voorschrift 2.3.1 is bepaald dat zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen 10 werkdagen, na de ontvangst van het autowrak de daar genoemde stoffen, preparaten of andere producten, indien aanwezig, uit het autowrak worden afgetapt of gedemonteerd en vervolgens opgeslagen worden.

2.4.3. Voorschrift 2.3.1 stemt overeen met voorschrift 1 van onderdeel C van de bijlage behorend bij artikel 5, eerste lid, van het Bba. Niet bestreden is dat het college ingevolge het Bba gehouden is dit voorschrift ten aanzien van autowrakken met een gewicht van ten hoogste 3.500 kg aan de vergunning te verbinden.

Voorschrift 2.3.1 is eveneens van toepassing verklaard op autowrakken van meer dan 3.500 kilogram. Volgens gegevens die [verzoekster] het college op 16 november 2007 desgevraagd ter aanvulling van de aanvraag heeft verstrekt, worden in de inrichting op jaarbasis ongeveer 5 wrakken aangevoerd en ongeveer 10 onbewerkte wrakken opgeslagen. Gelet op het beperkte aantal af te tappen en/of te demonteren autowrakken ziet de voorzitter in hetgeen [verzoekster] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

2.5. [verzoekster] betoogt dat voorschrift 3.1.9 in strijd is met de rechtszekerheid, omdat hierin niet nader gedefinieerde begrippen als "afgedankte voertuigen" en "schadeauto's" worden gebruikt, terwijl aan deze kwalificaties consequenties zijn verbonden voor de maximale acceptatie- en opslaghoeveelheden. Hieruit vloeien volgens [verzoekster] ook onnodige beperkingen voor de bedrijfsvoering voort. De beperking van de jaarlijkse acceptatie van autowrakken tot 5 stuks is volgens [verzoekster] onnodig. De beperking van de jaarlijkse acceptatie van schadeauto's tot 100 stuks is volgens haar onacceptabel, aangezien de handelsvoorraad bestaat uit gedumpte legervoertuigen waarvan nagenoeg geen enkel exemplaar, gelet op de leeftijd en het intensieve gebruik onder zware omstandigheden, in onbeschadigde toestand verkeert. In zoverre zou dan (bijna) de gehele handelsvoorraad als "schadeauto" zijn aan te merken.

2.5.1. In voorschrift 3.1.9, onder a, is bepaald dat in de inrichting maximaal 105 afgedankte voertuigen (5 autowrakken en 100 schadeauto's) jaarlijks mogen worden geaccepteerd en dat in de inrichting maximaal 110 afgedankte voertuigen (10 autowrakken en 100 schadeauto's) mogen zijn opgeslagen.

2.5.2. De voorzitter stelt vast dat de begrippen autowrak en schadeauto zijn gedefinieerd in bijlage 2 bij het bestreden besluit. Onder autowrak wordt volgens bijlage 2 verstaan: "autowrak als gedefinieerd in artikel 1, onder b, van het Besluit beheer autowrakken", en onder schadeauto: "voertuigen die na reparatie of herstel weer in rijvaardige staat zijn/kunnen worden gebracht". Het begrip afgedankte voertuigen is in voorschrift 3.1.9 gebruikt als verzamelterm voor de begrippen autowrakken en schadeauto’s en is gelet hierop evenmin onduidelijk. De voorzitter stelt voorts vast dat de vergunde aantallen autowrakken en schadeauto’s in voorschrift 3.1.9 overeenkomen met de gegevens die [verzoekster] op 16 november 2007 desgevraagd in aanvulling op de aanvraag aan het college heeft verstrekt. Uit het stelsel van de Wet milieubeheer volgt dat het bevoegde gezag dient te beslissen op de aanvraag zoals die is ingediend. De voorzitter ziet in zoverre dan ook geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

2.6. [verzoekster] betoogt voorts dat voorschrift 3.1.11 onnodig bezwarend is, voor zover hierin de maximale opslagtermijn van autobanden wordt beperkt tot 1 jaar. Volgens [verzoekster] stelt het college ten onrechte dat deze beperking voortvloeit uit sectorplan 11 van het LAP. In dit verband betoogt [verzoekster] dat die beperking volgens het sectorplan uitsluitend geldt voor het opslaan van banden als zelfstandige activiteit, waarvan volgens [verzoekster] in haar inrichting echter geen sprake is, daar de opslag van banden plaatsvindt in het kader van groothandel in legervoertuigen en -materieel. Voorts ziet sectorplan 11 volgens [verzoekster] op afgedankte autobanden van personenauto’s, lichte bedrijfsauto’s en aanhangwagens. De banden van legervoertuigen zijn volgens [verzoekster] robuuster van aard dan de banden van personenwagens en derhalve langer herbruikbaar. Indien en voor zover sprake is van afgedankte banden die als afvalstof moeten worden aangemerkt, is volgens [verzoekster] een opslagtermijn van 3 jaar op zijn plaats, omdat de banden nuttig worden hergebruikt en uit de opslag ook geen directe milieubelasting voortvloeit. Bruikbare banden, niet zijnde afvalstoffen, dienen volgens [verzoekster] niet onder het voorschrift te vallen.

2.6.1. Het college betoogt dat in de inrichting van [verzoekster] wel degelijk sprake is van opslag van banden als zelfstandige activiteit, zoals bedoeld in het LAP, omdat [verzoekster] geen bewerkingsactiviteiten aan de ontvangen banden uitvoert, maar ze enkel opslaat in grote hoeveelheden in de openlucht in afwachting van eventuele afzet.

Het college betoogt voorts dat de banden moeten worden aangemerkt als afvalstoffen, omdat de banden niet zijn of worden gesorteerd en in elk geval voor het grootste deel niet voldoen aan de Nederlandse kwaliteitseisen. Nu uit de aanvraag niet blijkt dat [verzoekster] een selectie op kwaliteit conform de Nederlandse maatstaven aanhoudt, is het volgens het college niet mogelijk een deel van de banden niet als afvalstof aan te merken en kan volgens het college geen onderscheid worden gemaakt tussen banden die al dan niet het afvalstadium hebben bereikt.

Het college betoogt dat het, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 30 juni 2004 in zaak nr. 200303836/1, waarin aansluiting bij sectorplan 11 werd aanvaard voor vrachtwagenbanden, voor de banden van het onderhavige materieel in redelijkheid heeft kunnen aansluiten bij sectorplan 11 van het LAP. Dat een deel van de banden geschikt is voor hergebruik doet daar volgens het college, gelet op die uitspraak niet aan af.

2.6.2. Ingevolge voorschrift 3.1.11 geldt voor de opslag van autobanden een opslagtermijn van maximum één jaar.

2.6.3. De voorzitter overweegt dat sectorplan 11 van het LAP weliswaar ziet op afgedankte autobanden van personenauto’s, lichte bedrijfsauto’s en aanhangwagens, maar in dit sectorplan wordt aanbevolen om voor het beheer van andere banden aan te sluiten bij dit sectorplan.

De voorzitter overweegt dat de Afdeling eerder (uitspraak van 30 juni 2004 in zaak nr. <a target="_blank" href="http://200303836/1">200303836/1</a>) geen aanleiding heeft gezien voor het oordeel dat een bevoegd gezag ter bepaling van de maximale opslagtermijn van banden van vrachtwagens niet in redelijkheid kon aansluiten bij sectorplan 11 van het LAP. De omstandigheid dat een deel van de banden geschikt was voor hergebruik maakt dit naar het oordeel van de Afdeling niet anders. De voorzitter ziet in dit geval geen aanknopingspunten om met betrekking tot de banden van het onderhavige materieel tot een andersluidend oordeel te komen.

Volgens de aanvraag, die in zoverre deel uitmaakt van de vergunning, worden de ontvangen banden uitsluitend opgeslagen en vinden geen bewerkingen aan de banden plaats. Gelet daarop komt het betoog van het college dat de vergunning ziet op het opslaan van autobanden als zelfstandige activiteit de voorzitter niet onjuist voor. Nu sectorplan 11 uitgaat van een maximale opslagtermijn van één jaar, ziet de voorzitter geen aanleiding ten aanzien van voorschrift 3.1.11 een voorlopige voorziening te treffen.

2.7. Ten slotte keert [verzoekster] zich tegen de voorschriften van hoofdstuk 8, die betrekking hebben op het stellen van financiële zekerheid. [verzoekster] wijst op de motie Vietsch/Neppérus, inhoudende het verzoek aan de regering tot intrekking van het Besluit financiële zekerheid milieubeheer, die op 18 maart 2008 is aangenomen door de Tweede Kamer (TK 2007-2008, 29 383, nr. 97), en de toezegging van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer om deze motie uit te voeren (TK 2007-2008, 29 383, nr. 104). Tegen deze achtergrond dienen de voorschriften van hoofdstuk 8 volgens [verzoekster] te vervallen.

2.7.1. Het college betoogt dat ten tijde van het bestreden besluit het Besluit financiële zekerheid milieubeheer nog niet was ingetrokken, hetgeen overigens nog steeds niet is gebeurd, zodat het van kracht was en is. Bovendien was ten tijde van het bestreden besluit niets bekend over een eventuele motie tot intrekking van het Besluit.

De voorzitter ziet geen rechtsgrondslag voor de stelling dat het college het Besluit financiële zekerheid milieubeheer, dat geldend recht vormt, in de omstandigheden van het geval buiten toepassing had moeten laten. Er bestaat dan ook geen aanleiding ten aanzien van de voorschriften van hoofdstuk 8 een voorlopige voorziening te treffen.

2.8. Gelet hierop het bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Kuipers, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll w.g. Kuipers

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2008

271-359.