Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD7342

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-07-2008
Datum publicatie
16-07-2008
Zaaknummer
200803982/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 april 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Sluis (hierna: het college) het verzoek van [verzoeker] om het treffen van bestuurlijke handhavingsmaatregelen ten aanzien van de inrichting gelegen aan de [locatie] te [plaats] afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200803982/2.

Datum uitspraak: 11 juli 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoeker], wonend te [woonplaats], gemeente Sluis,

en

het college van burgemeester en wethouders van Sluis,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 april 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Sluis (hierna: het college) het verzoek van [verzoeker] om het treffen van bestuurlijke handhavingsmaatregelen ten aanzien van de inrichting gelegen aan de [locatie] te [plaats] afgewezen.

Tegen dit besluit heeft [verzoeker] bezwaar gemaakt. Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 mei 2008, heeft [verzoeker] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 3 juli 2008, waar [verzoeker], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door R.J.P. Steijaert, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [partij], vertegenwoordigd door [gemachtigde], als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag het verzoek van [verzoeker] van 24 december 2007 om handhavend op te treden ten aanzien de inrichting. [verzoeker] stelt dat hij in de periode waarin binnen de in de inrichting aanwezige loods uien worden gedroogd, geluidoverlast ondervindt van de ten behoeve van het drogen ingezette ventilatoren, omdat de deuren van de loods open staan.

[verzoeker] heeft eerder op 8 april 2006 een verzoek om handhaving ingediend. Bij besluit van 19 september 2006 heeft het college dit verzoek afgewezen. Het hiertegen gemaakte bezwaar heeft het college bij besluit van 3 april 2007 ongegrond verklaard.

2.2. Bij het bestreden besluit heeft het college het verzoek van [verzoeker] afgewezen met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Ingevolge dit artikellid, voor zover hier van belang, kan het bestuursorgaan, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, een nieuwe aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking. Volgens het college zijn in het verzoek van [verzoeker] van 24 december 2007 en het daaraan ten grondslag liggende akoestisch rapport van 20 oktober 2007 geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden aangevoerd, die nopen tot het nemen van een ander besluit dan zijn eerdere besluit op het verzoek van [verzoeker] om handhavend op treden. Het college heeft het niet nodig geacht zelf nieuw onderzoek te verrichten naar de vermeende overtreding, maar heeft volstaan met een verwijzing naar het inmiddels onherroepelijke besluit van 3 april 2007 en het daaraan ten grondslag liggende akoestisch rapport van 30 augustus 2006. Uit dat rapport blijkt volgens het college dat tijdens het drogen van de uien de aan de voor de inrichting geldende milieuvergunning verbonden geluidvoorschriften worden nageleefd.

2.3. Ter zitting is gebleken dat de metingen die zijn neergelegd in het akoestisch rapport van 30 augustus 2006 zijn uitgevoerd in een periode waarin er geen uien gedroogd werden binnen de inrichting. Het verzoek van [verzoeker] om handhavend op te treden ten aanzien van de inrichting ziet op geluidoverlast tijdens het drogen van de uien. Reeds hierom gaat het naar het oordeel van de voorzitter om nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden, op grond waarvan het college het verzoek van [verzoeker] van 24 december 2007 inhoudelijk had moeten beoordelen en niet kon afwijzen met de enkele verwijzing naar zijn besluit van 3 april 2007. Het bestreden besluit is in strijd met artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

2.4. Gelet op het vorenstaande ziet de voorzitter aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.

2.5. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Sluis van 23 april 2008, kenmerk ONTW/U/2008 5569;

II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Sluis tot vergoeding van bij [verzoeker] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 82,38 (zegge: tweeëntachtig euro en achtendertig cent); het dient door de gemeente Sluis aan [verzoeker] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

III. gelast dat de gemeente Sluis aan [verzoeker] het door hem voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 145,00 (zegge: honderdvijfenveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Van der Zijpp

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2008

262-492.