Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD7338

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-07-2008
Datum publicatie
16-07-2008
Zaaknummer
200708905/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 december 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Wierden (hierna: het college) een aanvraag van de stichting Stichting Evangelisch Bijbelgetrouw Voortgezet Onderwijs (hierna: de stichting) om de school voor voortgezet onderwijs "De Passie" op te nemen op het programma van huisvesting 2007 afgewezen.

Wetsverwijzingen
Wet op het voortgezet onderwijs
Wet op het voortgezet onderwijs 76d
Gemeentewet
Gemeentewet 189
Gemeentewet 193
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200708905/1.

Datum uitspraak: 16 juli 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Wierden,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak nr. 07/826 van de rechtbank Almelo van 8 november 2007 in het geding tussen:

de stichting Stichting Evangelisch Bijbelgetrouw Voortgezet Onderwijs, gevestigd te Houten,

en

het college van burgemeester en wethouders van Wierden.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 december 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Wierden (hierna: het college) een aanvraag van de stichting Stichting Evangelisch Bijbelgetrouw Voortgezet Onderwijs (hierna: de stichting) om de school voor voortgezet onderwijs "De Passie" op te nemen op het programma van huisvesting 2007 afgewezen.

Bij besluit van 26 juni 2007 heeft het college het door de stichting daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 8 november 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Almelo (hierna: de rechtbank) het door de stichting daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 26 juni 2007 vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 december 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 januari 2008.

De stichting heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 juni 2008, waar het college, vertegenwoordigd door mr. F.J. van der Vaart, advocaat te Enschede, en de stichting, vertegenwoordigd door mr. J.A. Keijser, advocaat te Voorburg, zijn verschenen.

Voorts is daar gehoord de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de staatssecretaris), vertegenwoordigd door mr. A.J. Boorsma, advocaat te Den Haag.

2. Overwegingen

2.1. De Afdeling heeft het wenselijk geacht, met overeenkomstige toepassing voor het onderzoek ter zitting van artikel 8:45 van de Algemene wet bestuursrecht, de staatssecretaris te horen voor het geven van inlichtingen. Partijen hebben daarmee ingestemd.

 

2.2. De Afdeling heeft met betrekking tot de programma's van huisvesting 2005 en 2006 bij uitspraken van 29 april 2008, in de zaken met nrs. 200704577/1 en 200704581/1, beslissend op de hoger beroepen van het college tegen uitspraken van de rechtbank Almelo, gewezen tussen partijen, geoordeeld dat het college het bekostigingsplafond op nihil heeft mogen vaststellen en om die reden heeft kunnen weigeren "De Passie" op te nemen op die programma's van huisvesting. Wat de feiten en omstandigheden betreft die het college ten grondslag heeft gelegd aan de weigering de stichting op te nemen op het programma van huisvesting 2007, is er geen wezenlijk verschil met de feiten en omstandigheden die ten grondslag hebben gelegen aan de weigering haar op de programma's van huisvesting 2005 en 2006 te plaatsen. In haar verweerschrift heeft de stichting dit uitdrukkelijk onderkend. Dat inmiddels is besloten tot bekostiging van "De Passie" door de staatssecretaris leidt niet tot een ander oordeel, nu deze bekostiging eerst in het schooljaar 2008-2009 een aanvang zal nemen. Anders dan in de visie van de staatssecretaris bestaat ook geen aanleiding voor het jaar 2007 de vaststelling van het bekostigingsplafond op nihil aan te merken als structurele weigering verplichte uitgaven als bedoeld in artikel 193 van de Gemeentewet voor medewerking aan de uitvoering van de Wet op het Voortgezet Onderwijs te doen. Nu geen sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden, bestaat geen aanleiding om met betrekking tot het programma van huisvesting 2007 anders te oordelen dan de Afdeling in de hiervoor vermelde uitspraken heeft gedaan.

2.3. Gelet hierop is het hoger beroep gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 26 juni 2007 alsnog ongegrond verklaren.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Almelo van 8 november 2007 in zaak nr. 07/826;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. S.F.M. Wortmann en mr. T.G.M. Simons, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Poot, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Poot

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2008

362.