Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD7330

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-07-2008
Datum publicatie
16-07-2008
Zaaknummer
200707680/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 maart 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland (hierna: het college) een verzoek van [appellant] en anderen om bestuurlijke handhavingsmaatregelen te treffen wegens overtreding van artikel 39a van de Wet bodembescherming met betrekking tot de sanering van grondwater zowel op als buiten het perceel [locatie] te [plaats] afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2008, 81
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200707680/1.

Datum uitspraak: 16 juli 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten] en anderen, allen wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 maart 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland (hierna: het college) een verzoek van [appellant] en anderen om bestuurlijke handhavingsmaatregelen te treffen wegens overtreding van artikel 39a van de Wet bodembescherming met betrekking tot de sanering van grondwater zowel op als buiten het perceel [locatie] te [plaats] afgewezen.

Bij besluit van 25 september 2007 heeft het college het door [appellant] en anderen hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 5 november 2007, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 juni 2008, waar [appellant] en anderen, in de persoon van [gemachtigden], bijgestaan door mr. B.J. Meruma, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. L.E.A.M. Grapperhaus en M.M.M. van der Meij, beiden werkzaam bij de provincie, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [partij], vertegenwoordigd door mr. B.E.M Hendrickx en ing. A.G.M. Heutinck, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. [appellant] en anderen voeren aan dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de sanering wordt uitgevoerd overeenkomstig het "Saneringsplan 2e fase Hokatex Santpoort-Zuid" van 16 oktober 1996, waarmee het college bij besluit van 20 december 1996 heeft ingestemd (hierna: het saneringsplan). In dit verband voeren zij aan dat het saneringsplan ontoereikend is. Volgens hen moet het grondwaterpeil lager zijn dan NAP -0,65 meter om nieuwe verontreinigingen te voorkomen, terwijl volgens het saneringsplan het grondwaterpeil NAP -0,50 meter of hoger moet zijn om het drainagesysteem ten behoeve van de sanering goed te kunnen laten functioneren. Zij voeren voorts aan dat uit de voortgangsrapportages blijkt dat de sanering van het ondiepe grondwater stagneert, dat de sanering 15 maanden heeft stilgelegen en dat verspreiding van verontreinigd grondwater in noordwestelijke richting heeft plaatsgevonden.

[appellant] en anderen voeren tevens aan dat de verplichte periodieke voortgangsrapportages geen informatie bieden over de stand van zaken met betrekking tot de luchtkwaliteit in woningen op en langs de saneringslocatie. Volgens hen is daarom niet uitgesloten dat risico's ontstaan voor de volksgezondheid en is in het bestreden besluit niet deugdelijk gemotiveerd waarom ten aanzien van de kwaliteit van het nakomen van de registratie- en informatieverplichtingen van het treffen van bestuurlijke handhavingsmaatregelen kon worden afgezien.

2.2. Het college stelt zich op het standpunt dat de sanering weliswaar langer duurt dan aanvankelijk verwacht, maar wordt uitgevoerd overeenkomstig het saneringplan en dat er geen risico's aanwezig zijn voor de volksgezondheid.

2.3. Ingevolge artikel 39a van de Wet bodembescherming voeren degene die de bodem saneert, alsmede degene die de sanering feitelijk uitvoert, de sanering uit overeenkomstig het saneringsplan waarmee door het college van gedeputeerde staten is ingestemd, en overeenkomstig de voorschriften die aan de instemming zijn verbonden.

2.4. Voor zover [appellant] en anderen aanvoeren dat het saneringsplan, gelet op het daarin voorgeschreven grondwaterpeil van NAP -0,50 meter ontoereikend is, overweegt de Afdeling dat het bestreden besluit geen betrekking heeft op de instemming met het saneringsplan. In deze procedure staat uitsluitend ter beoordeling of de sanering overeenkomstig het saneringsplan wordt uitgevoerd. Het beroep faalt in zoverre.

2.5. Het college heeft gesteld dat uit inspectie in 2004 bleek dat, ten gevolge van het buiten medeweten van de saneerder in werking zijn van zogenoemde deepwells van de gemeente Bloemendaal, de grondwaterstand enige tijd te laag is geweest, hetgeen na kennisneming hiervan is hersteld.

Op verzoek van het college heeft de saneerder een onderzoek uitgevoerd naar de gevolgen van dit incident. Daaruit is gebleken dat de verontreiniging zich in noordwestelijke richting in zeer beperkte mate heeft verspreid en dat, omdat deze verspreiding tegen de natuurlijke grondwaterstroming in is gegaan, mag worden verwacht dat, nu het grondwaterpeil weer overeenkomstig het saneringsplan is, deze verontreiniging terugstroomt naar het te saneren gebied. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat in zoverre geen sprake is van een overtreding.

2.6. Vast staat dat de waterzuiveringsinstallatie vanaf medio april 2004 tot augustus 2005 defect was.

Op grond van paragraaf 6.4.2. van het saneringsplan dient de voortgang van de grondwatersanering in jaarlijkse briefrapporten te worden vastgelegd. Niet in geschil is dat in 2004 en 2005 geen rapporten zijn overgelegd.

Op grond van paragraaf 6.4.3. van het saneringsplan dienen jaarlijks luchtkwaliteitmetingen in een viertal kruipruimten plaats te vinden, waarbij in ieder geval de concentraties van vinylchloride, cis-dichlooretheen, trichlooretheen en tetrachlooretheen worden bepaald. Het onderzoek naar de kwaliteit van de lucht in de kruipruimten kan gestaakt worden wanneer de grondwatersanering gestaakt wordt.

Vast staat dat deze luchtkwaliteitmetingen voor het laatst in 2004 zijn uitgevoerd. Na 2004 is niet meer voldaan aan deze in het saneringsplan neergelegde verplichting.

Gelet hierop is in zoverre gehandeld in strijd met artikel 39a van de Wet bodembescherming, zodat het college ter zake handhavend kon optreden.

2.7. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag het bestuursorgaan weigeren dit te doen. Dit kan zich voordoen indien handhavend optreden zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.8. Wat betreft de waterzuiveringsinstallatie staat vast dat deze na de periode waarin deze defect was is vervangen en wederom in werking gesteld. Niet is gebleken dat de waterzuiveringsinstallatie sindsdien niet in werking is geweest overeenkomstig de eisen die daaraan worden gesteld in het saneringsplan.

Wat betreft de op grond van paragraaf 6.4.2 van het saneringsplan vereiste briefrapporten is uit de stukken gebleken dat het college in november 2006 aan de saneerder een voornemen tot het opleggen van een last onder dwangsom kenbaar heeft gemaakt, waarop de rapportages alsnog zijn overgelegd. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd bestaat geen grond voor het oordeel dat deze rapportages over de voortgang van de grondwatersanering onjuistheden bevatten dan wel leemten in kennis vertonen.

Gelet hierop heeft verweerder in zoverre van het treffen van bestuurlijke handhavingsmaatregelen kunnen afzien.

2.9. Het college ziet in het ontbreken van de jaarlijkse luchtmetingen vanaf 2004 geen aanleiding handhavend op te treden. Het stelt zich in dit verband op het standpunt dat in 2004 bij luchtkwaliteitmetingen geen overschrijding van de zogenoemde TCL-waarden (toelaatbare concentratie in lucht) van vinylchloride, cis-dichlooretheen, trichlooretheen en tetrachlooretheen in kruipruimten zijn gemeten en dit beeld overeenkomt met eerdere uitgevoerde luchtkwaliteitmetingen in kruipruimten op de saneringslocatie. Ter zitting heeft het college in dit verband aangevoerd dat zij de meetresultaten van de metingen die hebben plaatsgevonden in de jaren 1998 tot en met 2004 hebben voorgelegd aan de GGD en dat de GGD op grond van die meetgegevens tot de conclusie is gekomen dat geen gezondheidsrisico's voor de bewoners zijn te verwachten.

2.9.1. De stelling van het college dat bij metingen tot en met het jaar 2004 geen overschrijdingen van de TCL-waarden voor de voornoemde stoffen zijn aangetroffen en in verband met deze stoffen geen gezondheidsrisico's zijn te verwachten biedt naar het oordeel van de Afdeling geen bijzondere omstandigheid op grond waarvan het college kon afzien van het treffen van bestuurlijke handhavingsmaatregelen. Te minder nu in het jaarlijkse briefrapport over het jaar 2005 is vermeld dat de kwaliteit van het ondiepe grondwater blijkt te verslechteren en wordt geadviseerd om vanwege deze verslechtering op korte termijn weer luchtmetingen te verrichten. Gelet hierop heeft het college ten onrechte afgezien van het treffen van bestuurlijke handhavingsmaatregelen en dit besluit bij het bestreden besluit ten onrechte gehandhaafd. De beroepsgrond slaagt.

2.10. Het beroep is gegrond. Het besluit van 25 september 2007 dient te worden vernietigd.

2.11. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland van 25 september 2007, kenmerk 2007-52244;

III. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland tot vergoeding van bij [appellant] en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 665,98 (zegge: zeshonderdvijfenzestig euro en achtennegentig cent), waarvan € 644,00, is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de provincie Noord-Holland aan [appellant] en anderen onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

IV. gelast dat de provincie Noord-Holland aan [appellant] en anderen het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 145,00 (zegge: honderdvijfenveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, voorzitter, en drs. H. Borstlap en mr. M.W.L. Simons-Vinckx, leden, in tegenwoordigheid van mr. D. van Leeuwen, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd w.g. Van Leeuwen

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2008

325-570.