Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD7326

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-07-2008
Datum publicatie
16-07-2008
Zaaknummer
200706859/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 november 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (hierna: het college) een aan [vergunninghouder] verleende subsidie voor woningverbetering vastgesteld conform de subsidieverlening en daarbij bericht dat een aanvraag voor een aanvullende subsidie die [vergunninghouder] had ingediend, niet in behandeling is genomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200706859/1.

Datum uitspraak: 16 juli 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nr. 06/4981 van de rechtbank 's-Gravenhage van 10 september 2007 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 november 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (hierna: het college) een aan [vergunninghouder] verleende subsidie voor woningverbetering vastgesteld conform de subsidieverlening en daarbij bericht dat een aanvraag voor een aanvullende subsidie die [vergunninghouder] had ingediend, niet in behandeling is genomen.

Bij besluit van 7 juni 2006 heeft het college het door [vergunninghouder] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 10 september 2007, verzonden op 14 september 2007, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het door [vergunninghouder] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [vergunninghouder] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 september 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 14 oktober 2007.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[vergunninghouder] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 juni 2008, waar [vergunninghouder], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door mr. V.C.A. Lindijer, advocaat te Den Haag en G.E.S. Schutz, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1.5, aanhef en onder 1, van de Verordening woninggebonden subsidies 1995 (hierna: de Verordening) kunnen burgemeester en wethouders subsidie verlenen voor het treffen van niet-ingrijpende voorzieningen aan woningen of bedrijfsruimten.

Ingevolge die aanhef en onder 4, kunnen burgemeester en wethouders subsidie verlenen in de extra kosten ten behoeve van het realiseren van voorzieningen bij woningen.

Ingevolge artikel 2.6, aanhef onder 4, verlenen burgemeester en wethouders slechts subsidie indien niet reeds een begin is gemaakt met de werkzaamheden zonder hun instemming.

Ingevolge artikel 2.7, aanhef en onder 1, verlenen burgemeester en wethouders de subsidie onder voorwaarde dat zonder hun toestemming bij de werkzaamheden niet wordt afgeweken van het bouwplan.

Ingevolge artikel 4.1, eerste lid, aanhef en onder 2, kunnen burgemeester en wethouders subsidie verlenen voor het treffen van niet-ingrijpende voorzieningen aan een particuliere huurwoning.

Ingevolge artikel 4.3, eerste lid, bepaalt de gemeenteraad binnen welke gebieden van de bebouwde kom het bepaalde in artikel 4.1 van toepassing is.

Ingevolge het derde lid wijzen burgemeester en wethouders binnen de op grond van het eerste lid aangewezen gebieden complexen aan, waarop het bepaalde in artikel 4.1 van toepassing is. Bij de hier bedoelde aanwijzing geven zij de periode aan gedurende welke subsidie dan wel aanvullende subsidie op grond van dit hoofdstuk verstrekt kunnen worden.

Ingevolge artikel 4.9, eerste lid, is de subsidie als bedoeld in artikel 4.1 gelijk aan de bij de vaststelling van de subsidie door burgemeester en wethouders geaccepteerde kosten van de voorzieningen.

2.2. Het pand aan de [locatie] te [plaats], waarvoor [vergunninghouder] een subsidie voor woningverbetering heeft aangevraagd als bedoeld in artikel 4.1, eerste lid, aanhef en onder 2 van de Verordening, maakt deel uit van een complex dat op grond van artikel 4.3, derde lid, van de Verordening is aangewezen.

Bij besluit van 28 mei 2001 heeft het college aan [vergunninghouder] een subsidie verleend van ƒ 21.670,50 (€ 9.833,64) voor het treffen van niet-ingrijpende voorzieningen aan het pand.

Op 1 juli 2004 is de aanwijzing krachtens artikel 4.3, derde lid, van de Verordening van het complex aan de [locatie] waartoe het pand behoort, geëindigd.

Op 20 augustus 2005 heeft [vergunninghouder] een planwijziging ingediend en heeft hij om subsidie verzocht voor aanvullende werkzaamheden. Op dezelfde datum heeft hij deze werkzaamheden en de werkzaamheden waarvoor bij besluit van 28 mei 2001 subsidie was verleend, gereed gemeld.

Het college heeft de subsidie voor woningverbetering vastgesteld conform de subsidieverlening van 28 mei 2001 en daarbij bericht dat de planwijziging niet in behandeling is genomen.

Het college heeft het door [vergunninghouder] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard onder verwijzing naar een advies van de Adviescommissie bezwaarschriften van de gemeente Den Haag van 18 mei 2006. In dat advies heeft de commissie geconstateerd dat de aanvraag voor verhoging van de toegekende subsidie was ingediend op het moment dat het werk al was uitgevoerd en dat de aanwijzing krachtens artikel 4.3, derde lid, van de Verordening op de datum van indiening was geëindigd, zodat de aanvullende aanvraag niet meer gehonoreerd kon worden.

2.3. [vergunninghouder] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college de aanvraag voor de aanvullende subsidie niet had mogen afwijzen omdat hij, vanwege instemming van de Dienst Stedelijke Ontwikkeling met de aanvullende werkzaamheden, erop had mogen vertrouwen dat hiervoor subsidie zou worden verleend.

2.3.1. Dit betoog faalt. De rechtbank heeft terecht en op goede gronden overwogen dat instemming van de Dienst Stedelijke Ontwikkeling in het kader van de bouwwerkzaamheden niet kan worden gelijkgesteld met instemming van het college in het kader van de subsidie en dat, voor zover al mondelinge toezeggingen door deze dienst zijn gedaan, deze niet bevoegd is om toezeggingen te doen over de subsidieverlening. [vergunninghouder] heeft derhalve aan een dergelijke onbevoegdelijk gegeven toezegging geen gerechtvaardigd vertrouwen kunnen ontlenen dat zijn aanvraag voor de aanvullende subsidie gehonoreerd zou worden.

2.3.2. Ook het betoog van [vergunninghouder] dat de gemeente hem niet heeft bericht dat de aanwijzing krachtens artikel 4.3, derde lid, van de Verordening van het complex aan de [locatie] op 1 juli 2004 is geëindigd en dat de rechtbank heeft miskend dat hij er daarom op mocht vertrouwen dat subsidiëring op 20 augustus 2005 nog mogelijk was, treft geen doel. [vergunninghouder] kon, gezien deze bepaling, weten dat de subsidie slechts voor een beperkte tijd beschikbaar was. Het had op zijn weg gelegen zich te informeren over het einde van de aanwijzing van het complex.

2.4. Voor zover [vergunninghouder] betoogt dat de rechtbank ten onrechte niet in haar oordeel heeft betrokken dat voor een project aan de Van Zeggelenlaan te Den Haag wel subsidie is verleend voor een planwijziging die gelijktijdig met de gereedmelding van de werkzaamheden was ingediend, faalt dit. [vergunninghouder] heeft pas ter zitting in beroep ongespecificeerd naar voren gebracht dat in een naar zijn oordeel vergelijkbaar geval wel aanvullende subsidie is verleend. Daarom heeft de rechtbank dit buiten beschouwing gelaten.

[vergunninghouder] heeft zijn stelling in hoger beroep herhaald en dit gemotiveerd met kopieën van voor dat project ingediende subsidie-aanvragen en de subsidievaststelling inzake een pand aan de [locatie 2] te [plaats]. Aangezien hij dit heeft aangevoerd in het kader van de beroepsgrond dat hij recht heeft op aanvullende subsidie voor de planwijziging en het college hier tijdig op heeft kunnen reageren, is er anders dan het college meent geen reden om dit betoog in hoger beroep eveneens buiten beschouwing te laten.

2.4.1. De omstandigheden waaronder de subsidie voor werkzaamheden voor een project aan de [locatie 2] is verleend, zijn echter niet vergelijkbaar met die waaronder subsidie voor werkzaamheden aan het pand [locatie] is verleend. De eerstgenoemde subsidie is niet verleend voor aanvullende werkzaamheden, maar voor in de oorspronkelijke subsidie-aanvraag aangeduide werkzaamheden. Een deel van die aanvraag is later met betrekking tot één woning in een aparte subsidie-aanvraag voor niet ingrijpende voorzieningen omgezet. Daarom is geen sprake van gelijke gevallen en wordt het gelijkheidsbeginsel niet geschonden doordat de aanvullende aanvraag betreffende [locatie] niet wordt gehonoreerd.

2.5. Voor zover [vergunninghouder] aanvoert dat de rechtbank heeft miskend dat de vertraging in de aanvang van de werkzaamheden te wijten is aan het college omdat deze pas laat aanschrijvingen heeft verstuurd aan weigerachtige eigenaren binnen de Vereniging van Eigenaren [locatie], treft dit geen doel omdat deze late aanvang [vergunninghouder] er niet van behoefde te weerhouden om voor de start van de aanvullende werkzaamheden een aanvullende aanvraag te doen.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, ambtenaar van Staat.

w.g. Wortmann w.g. Dallinga

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2008

18-554.