Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD7325

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-07-2008
Datum publicatie
16-07-2008
Zaaknummer
200709021/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brief van 20 april 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (hierna: het college) aan [appellant] medegedeeld niet te zullen voldoen aan zijn verzoek aan te tonen dat de vordering van het pand [locatie] op 7 oktober 1985 in een vergevorderd stadium was en hem geen schadevergoeding toe te kennen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200709021/1.

Datum uitspraak: 16 juli 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nr. 06/3279 van de rechtbank Amsterdam van 13 november 2007 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.

1. Procesverloop

Bij brief van 20 april 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (hierna: het college) aan [appellant] medegedeeld niet te zullen voldoen aan zijn verzoek aan te tonen dat de vordering van het pand [locatie] op 7 oktober 1985 in een vergevorderd stadium was en hem geen schadevergoeding toe te kennen.

Bij uitspraak van 13 november 2007, verzonden op 14 november 2007, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het beroep dat door [appellant] is ingesteld tegen het niet tijdig nemen door het college van een besluit op bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 december 2007, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 juni 2008, waar [appellant], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door mr. C.M. van der Vlies, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ter zitting van de rechtbank heeft het college gesteld niet bekend te zijn met het beweerdelijk door [appellant] op 27 april 2006 aan de balie van het gemeentehuis afgegeven bezwaarschrift. De rechtbank heeft geoordeeld dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij aldus een bezwaarschrift bij verweerder heeft ingediend, nu hij geen ontvangstbevestiging heeft overgelegd. Nu niet is gebleken dat het college heeft nagelaten om op een bezwaarschrift van [appellant] te beslissen, is geen sprake van een besluit als bedoeld in artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb, aldus de rechtbank. Op grond daarvan heeft zij het beroep niet-ontvankelijk verklaard.

2.2. [appellant] stelt in hoger beroep dat hij bij het gemeentebestuur heeft geïnformeerd naar de ontvangst van zijn bezwaarschrift en dat hij een duplicaat heeft gestuurd, toen hem werd medegedeeld dat het bezwaarschrift niet was ontvangen. Hij betoogt dat hem niet verweten kan worden dat het bezwaarschrift niet op de juiste plaats in de gemeentelijke organisatie is terecht gekomen. Bovendien had de rechtbank zijn beroepschrift ook als bezwaarschrift kunnen doorsturen naar het college, aldus [appellant].

2.3. Uit de stukken blijkt dat [appellant] op 24 juli 2006, eerst nadat hij bij op 19 mei 2006 bij de rechtbank ingekomen beroepschrift beroep bij de rechtbank had ingesteld, bij het gemeentebestuur heeft geïnformeerd naar de ontvangst van het bezwaarschrift en op 25 juli 2006, naar hij stelt, een duplicaat van het bezwaarschrift naar de gemeentelijke ambtenaar heeft gestuurd.

Hiermee heeft hij niet aangetoond dat op 19 mei 2006, ten tijde van het indienen van het beroep, bezwaar was gemaakt tegen de brief van 20 april 2006. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat niet is gebleken dat op 19 mei 2006 sprake was van een niet-tijdig beslissen.

Ook in hetgeen [appellant] overigens heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de uitspraak van de rechtbank niet juist is. Nu [appellant] ter zitting bij de rechtbank heeft bevestigd op te komen tegen de weigering van het college een besluit te nemen op zijn bezwaar, heeft de rechtbank zijn beroepschrift terecht als beroepschrift behandeld en niet als bezwaarschrift doorgezonden naar het college.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. W. Konijnenbelt en mr. W.D.M. van Diepenbeek, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.F.N. Pikart-van den Berg, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom w.g. Pikart-van den Berg

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2008

350.