Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD7321

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-07-2008
Datum publicatie
16-07-2008
Zaaknummer
200708039/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 oktober 2007 is door het college van burgemeester en wethouders van Gemert-Bakel (hierna: het college) een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend aan [vergunninghouder], voor een nertsenhouderij aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 22 oktober 2007 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200708039/1.

Datum uitspraak: 16 juli 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de stichting Stichting Bont voor Dieren, gevestigd te Amsterdam, en de stichting Stichting VMDLT, gevestigd te Enschede,

appellanten,

en

het college van burgemeester en wethouders van Gemert-Bakel,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 9 oktober 2007 is door het college van burgemeester en wethouders van Gemert-Bakel (hierna: het college) een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend aan [vergunninghouder], voor een nertsenhouderij aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 22 oktober 2007 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben de stichting Stichting Bont voor Dieren en de stichting Stichting VMDLT (hierna: de stichtingen) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 november 2007, beroep ingesteld.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 juni 2008, waar de stichtingen, vertegenwoordigd door ir. A.K.M. van Hoof, en het college, vertegenwoordigd door E.L.A. Kramer en R. Welten, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De stichtingen voeren bezwaren aan die verband houden met de door de inrichting veroorzaakte geluidhinder. Zij stellen dat het bestreden besluit, uit een oogpunt van toereikendheid, als ook naleefbaarheid van de vergunde geluidgrenswaarden, geen stand kan houden.

Zij voeren aan dat er op basis van het bij de aanvraag om vergunning behorende akoestisch rapport van 2 maart 2006, opgesteld door G & O Consult milieu-adviesbureau (hierna: het akoestisch rapport), niet geconcludeerd kan worden dat het referentieniveau in de dag- en avondperiode structureel hoger is dan de richtwaarden voor een landelijke omgeving zoals vermeld in de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening van 1998 van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de Handreiking). In dit verband voeren zij verder aan dat in voornoemd akoestisch onderzoek het referentieniveau ten onrechte bij de inrichting is gemeten en niet bij de te beschermen woningen van derden. Er is geen reden om een hogere geluidnorm dan de richtwaarden op te leggen, aldus de stichtingen. Voorts is slechts een geluidnorm bij één woning gesteld. Nu er meerdere woningen op korte afstand zijn gelegen biedt dit volgens hen onvoldoende bescherming. De stichtingen voeren verder bezwaren aan ten aanzien van de voorschriften 5.1.2 en 5.2.2.

2.2. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende best beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, van de Wet milieubeheer volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen, dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe.

2.3. Ingevolge vergunningvoorschrift 5.1.2 mogen er maximaal twaalf keer per jaar incidentele activiteiten plaatsvinden welke meer geluid veroorzaken dan de geluidgrenzen voor de representatieve bedrijfssituatie voorschrijven.

Ingevolge vergunningvoorschrift 5.2.1 mag het gemiddelde beoordelingsniveau (LAR, LT) veroorzaakt door de inrichting op de gevel van de dichtstbijzijnde woning, zoals aangegeven in het akoestisch rapport, niet meer bedragen dan 45, 40 en 30 dB(A) gedurende onderscheidenlijk de dag-, avond- en nachtperiode.

Ingevolge vergunningvoorschrift 5.2.2 worden als controlepunten op 50 meter van de inrichtingsgrens voor het gemiddelde beoordelingsniveau (LAR, LT) de berekende waarden zoals aangegeven in het akoestisch rapport opgenomen. Deze zijn, voor zover hier van belang, voor de controlepunten Noord en Oost in de nachtperiode gesteld op onderscheidenlijk -9 dB(A) en -3 dB(A).

2.4. Voor de beoordeling van geluidhinder heeft het college de Handreiking tot uitgangspunt genomen.

In de Handreiking zijn richtwaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau vermeld die zijn gerelateerd aan de aard van de woonomgeving en die als uitgangspunt worden gehanteerd bij het stellen van geluidgrenswaarden. Voor een landelijke omgeving, zoals hier aan de orde, gelden als richtwaarden 40, 35 en 30 dB(A) voor onderscheidenlijk de dag-, avond- en nachtperiode. Overschrijding van deze richtwaarden is mogelijk tot het referentieniveau van het omgevingsgeluid. Overschrijding van het referentieniveau tot een maximum etmaalwaarde van 55 dB(A) kan in sommige gevallen toelaatbaar worden geacht op grond van een bestuurlijk afwegingsproces waarbij de geluidbestrijdingskosten een belangrijke rol dienen te spelen.

2.5. Ter zitting heeft het college gesteld dat voorschrift 5.2.2, alsmede voorschrift 5.2.4 waarin voor het piekgeluidniveau controlepunten zijn opgenomen, zouden moeten vervallen. Dit betekent voorts dat voorschrift 5.1.2 overbodig is, zodat ook dit voorschrift volgens het college kan komen te vervallen.

Gelet op het vorenstaande is het bestreden besluit in zoverre in strijd met het algemene rechtsbeginsel dat een besluit zorgvuldig moet worden genomen.

2.6. Ter zitting is gebleken dat het referentieniveau van het omgevingsgeluid ter plaatse van de omliggende woningen van derden geen 45 en 40 dB(A) in onderscheidenlijk de dag- en avondperiode bedraagt. Aan de hand van de door het college gehanteerde door SRE Milieudienst regio Eindhoven opgestelde geluidcontourenkaarten is ter zitting - onweersproken - vastgesteld dat de woningen ten noorden en ten oosten van de inrichting zijn gelegen in de geluidcontour van 35 - 40 dB(A) en 30 - 35 dB(A) in onderscheidenlijk de dag- en avondperiode. Gezien het voorgaande en nu een bestuurlijke afweging tot het stellen van hogere geluidgrenswaarden dan het referentieniveau ontbreekt, berust het bestreden besluit daarmee op dit punt in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht niet op een deugdelijke motivering.

2.7. Het beroep is gegrond. Nu het aspect geluidhinder bepalend is voor de vraag of vergunning kan worden verleend, dient het gehele besluit te worden vernietigd.

2.8. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Gemert-Bakel van 9 oktober 2007, kenmerk WM/3483;

III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Gemert-Bakel tot vergoeding van bij de stichting Stichting Bont voor Dieren en de stichting Stichting VMDLT in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro) geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Gemert-Bakel aan de stichting Stichting Bont voor Dieren en de stichting Stichting VMDLT onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

IV. gelast dat de gemeente Gemert-Bakel aan de stichting Stichting Bont voor Dieren en de stichting Stichting VMDLT het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 285,00 (zegge: tweehonderdvijfentachtig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D. van Leeuwen, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Van Leeuwen

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2008

373-576.