Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD7307

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-07-2008
Datum publicatie
16-07-2008
Zaaknummer
200706725/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brief van 29 september 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Grave (hierna: het college), voor zover thans van belang, aan [appellant] meegedeeld dat aan hem van rechtswege bouwvergunning is verleend voor het oprichten van erfafscheidingen op onder meer de percelen, kadastraal aangeduid als […] en […], te Grave (hierna: de percelen).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200706725/1.

Datum uitspraak: 16 juli 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nr. 06/3628 van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 20 augustus 2007 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Grave.

1. Procesverloop

Bij brief van 29 september 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Grave (hierna: het college), voor zover thans van belang, aan [appellant] meegedeeld dat aan hem van rechtswege bouwvergunning is verleend voor het oprichten van erfafscheidingen op onder meer de percelen, kadastraal aangeduid als […] en […], te Grave (hierna: de percelen).

Bij onderscheiden besluiten van 22 februari 2005 heeft het college de daartegen door [partij A] en [partij B] gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 19 januari 2006, verzonden op 27 januari 2006, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) de daartegen door [partij A] en [partij B] ingestelde beroepen gegrond verklaard, de besluiten van 22 februari 2005 vernietigd en bepaald dat het college opnieuw op de bezwaren [partij A] en [partij B] beslist met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.

Bij besluit van 20 juni 2006 heeft het college opnieuw beslissend de door [partij A] en [partij B] gemaakte bezwaren gegrond verklaard en alsnog geweigerd de bouwvergunning, als verzocht, te verlenen.

Bij uitspraak van 20 augustus 2007, verzonden op 22 augustus 2007, heeft de rechtbank het daartegen door [appellant] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 september 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 oktober 2007.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 juni 2008, waar [appellant], bijgestaan door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. D.M.E.F.L. van Hoof-Pijnenburg, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar [partij B], bijgestaan door mr. F.K. van den Akker, advocaat te Eindhoven, gehoord.

2. Overwegingen

2.1. De erfafscheidingen variëren van 1,8 m tot 2,5 m in hoogte en bestaan uit betonnen elementen waartegen een aarden wal is gelegd.

2.2. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college het bezwaar van [partij B] ten onrechte ontvankelijk heeft geacht, omdat [partij B] op 280 m afstand van de erfafscheidingen woont en daarom niet als belanghebbende kan worden aangemerkt.

2.2.1. Het betoog faalt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer uitspraak van 14 augustus 2002 in zaak nr. 200200410/1 en uitspraak van 13 juli 2005, in zaak nr. 200409695/1) geeft de omstandigheid dat het perceel van [partij B] grenst aan de percelen waarop het besluit betrekking heeft, hem een persoonlijk belang dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen om hem als belanghebbende in de zin van de artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht te kunnen aanmerken. Daaraan doet niet af dat, naar [appellant] heeft gesteld, het huis van [partij B] op een afstand van 280 m van de erfafscheiding is gelegen.

2.3. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat het college de bouwvergunning ten onrechte heeft geweigerd. Hij voert daartoe aan dat de erfafscheidingen niet in strijd zijn met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied 1998" (hierna: het bestemmingsplan).

2.3.1. Ingevolge het bestemmingsplan rust op de percelen de bestemming "Agrarisch gebied".

Ingevolge artikel 10, onderdeel A, onder 1 en 2, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, zijn de gronden die op plankaart 1 zijn aangewezen voor "Agrarisch gebied" bestemd voor duurzaam agrarisch grondgebruik en agrarische bedrijfsuitoefening en recreatief medegebruik.

Ingevolge onderdeel B van dat artikel, voor zover thans van belang, mogen op of in de als zodanig bestemde gronden enkel worden gebouwd bouwwerken, geen gebouwen zijnde, daaronder begrepen erfafscheidingen, tot een hoogte van maximaal 2,50 m.

2.3.2. De rechtbank heeft terecht overwogen dat bij de toetsing van een bouwplan aan een bestemmingsplan niet slechts moet worden bezien of het bouwwerk overeenkomstig de bestemming van het perceel kan worden gebruikt, doch mede of het bouwwerk ook met het oog op zodanig gebruik wordt opgericht. Dit houdt in, dat een bouwplan in strijd met de bestemming moet worden geoordeeld, indien redelijkerwijs valt aan te nemen dat het bouwwerk uitsluitend of mede zal worden gebruikt voor andere doeleinden dan die waarin de bestemming voorziet. Voorts heeft de rechtbank terecht overwogen dat als het gaat om legalisering van een reeds opgericht bouwwerk, acht dient te worden geslagen op hetgeen inmiddels bekend is of kan zijn omtrent het gebruik van het reeds gebouwde. Blijkt daaruit van een met de bestemming strijdig gebruik, dan kan het college er in beginsel niet van uit gaan dat de bouwvergunning, zo zij zou worden verleend, ten grondslag komt te liggen - achteraf - aan de oprichting van een bouwwerk dat overeenkomstig de aan het betrokken perceel gegeven bestemming zal worden gebruikt.

[appellant] heeft de erfafscheidingen in 1996 opgericht om de niet-agrarische bedrijfsactiviteiten op de percelen aan het zicht te onttrekken. De rechtbank heeft terecht overwogen dat uit het uit die tijd daterende en door [appellant] opgestelde "Stappenplan behorende bij herinrichting lokatie Graafsedijk ten behoeve van een sloop- en transportbedrijf, een grondverzet- en recyclingbedrijf, een op- en overslagbedrijf, een handelsonderneming in bouwmaterialen" en de daarbij behorende tekeningen, blijkt dat de percelen niet werden heringericht ten behoeve van agrarische doeleinden. In dat verband heeft de rechtbank het, mede gelet op de constructie van de erfafscheidingen, terecht niet aannemelijk geacht dat die erfafscheidingen slechts zijn opgericht ten behoeve van het agrarisch gebruik van de percelen. De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat de omstandigheid dat het college opdracht zou hebben gegeven tot de huidige vormgeving van de erfafscheiding aan het vorenstaande niet afdoet. In een dergelijke opdracht, indien al gegeven, ligt immers geen aanwijzing voor het beoogde gebruik.

Gelet op het vorenoverwogene, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat redelijkerwijs is aan te nemen dat de erfafscheidingen zijn opgericht voor andere doeleinden dan die waarin de bestemming voorziet. Voorts komt aan het gegeven dat het college met de brief van 29 september 2004 aanvankelijk een ander standpunt had ingenomen geen belang toe, aangezien dat standpunt in rechte met succes is bestreden.

2.3.3. Dat de percelen thans voor agrarische doeleinden zouden worden gebruikt, zoals [appellant] betoogt, is niet relevant, omdat dit een omstandigheid daterend van na het besluit op bezwaar betreft. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat die omstandigheid geen aanwijzing vormt voor het ten tijde van het bestreden besluit door [appellant] beoogde gebruik van de erfafscheidingen. Ook het feit dat op 19 maart 2008 opnieuw een aanvraag om verlening van bouwvergunning is ingediend, geeft geen grond voor een ander oordeel, omdat ook dit een feit daterend van na het besluit op bezwaar betreft.

Voorts biedt de stelling van [appellant] dat hij de percelen en erfafscheidingen wil gaan gebruiken voor recreatieve doeleinden zoals ontspanning, rust en het hobbymatig houden van dieren en het verbouwen van gewassen, geen grond voor het oordeel dat het beoogde gebruik in overeenstemming is met de bestemming, reeds omdat dit niet als agrarisch gebruik of als recreatief medegebruik kan worden aangemerkt.

2.3.4. De conclusie is dat de rechtbank met juistheid heeft geoordeeld dat het college terecht heeft geweigerd de bouwvergunning, als verzocht, te verlenen. Het betoog faalt.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Soede

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2008

270-560.