Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD7305

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-07-2008
Datum publicatie
16-07-2008
Zaaknummer
200803530/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 april 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Bronckhorst (hierna: het college) aan [verzoekster] een last onder dwangsom opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200803530/1.

Datum uitspraak: 7 juli 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoekster], gevestigd te [plaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Bronckhorst,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 april 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Bronckhorst (hierna: het college) aan [verzoekster] een last onder dwangsom opgelegd.

Tegen dit besluit heeft [verzoekster] bezwaar gemaakt.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 mei 2008, heeft [verzoekster] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 24 juni 2008, waar het college, vertegenwoordigd door mr. A.J. IJsseldijk, werkzaam bij de gemeente, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. [verzoekster] exploiteert een pluimveeopfokbedrijf aan de [locatie] te [plaats]. Het college heeft geconstateerd dat op het perceel van de inrichting een tweetal propaangastanks zijn geplaatst waarbij niet is voldaan aan de vereiste minimumafstand ingevolge richtlijn 11-3 van de Commissie voor Preventie en Rampen (hierna: CPR). De bij het besluit van 7 april 2008 opgelegde last onder dwangsom strekt ertoe deze overtreding ongedaan te maken.

2.2. [verzoekster] voert aan dat het college bij besluit van 12 december 2000 aan haar een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer heeft verleend, waarbij de thans te handhaven situatie door het college is vergund.

2.3. Ingevolge voorschrift 13.1.1 van de voor de inrichting geldende vergunning, voor zover hier van belang, moet het leidingwerk en het toebehoren van een bovengronds reservoir voor propaan met een inhoud van meer dan 5 m3 en ten hoogste 8 m3 waarvan de eerste keuring heeft plaatsgevonden vóór 1 januari 1990 zijn geïnstalleerd, zijn uitgevoerd en worden gebruikt overeenkomstig het gestelde in CPR 11-3, hoofdstuk 8 en de bijlagen.

Ingevolge voorschrift 8.2.2 van richtlijn 11-3 van de CPR, voor zover hier van belang, moet de afstand van het propaanreservoir tot objecten op het terrein van de inrichting, tenminste voldoen aan de vereiste minimum afstand van 7,5 meter zoals deze volgt uit tabel 8-I.

2.4. Op de tekening behorend bij de aanvraag om revisievergunning zijn de betreffende propaangastanks naast elkaar geplaatst. De huidige situatie waarbij de propaangastanks op ongeveer 1 meter afstand van elkaar zijn geplaatst, is derhalve aangevraagd. Nu ingevolge voorschrift 13.1.1 van de voor de inrichting geldende vergunning gelezen in samenhang met voorschrift 8.2.2 en tabel 8-1 van de richtlijn 11-3 van de CPR een minimale afstand van 7,5 meter tussen de propaangastanks dient te worden aangehouden, constateert de voorzitter een discrepantie tussen enerzijds hetgeen is aangevraagd en anderzijds de vergunningvoorschriften. Hieruit volgt dat onduidelijk is wat uiteindelijk is vergund zodat niet vast staat of [verzoekster] handelt in strijd met bij of krachtens enig wettelijk voorschrift gestelde verplichting. De voorzitter trekt dientengevolge de bevoegdheid van het college om in het onderhavige geval aan [verzoekster] een last onder dwangsom op te leggen in twijfel.

2.5. Gelet op het vorenstaande ziet de voorzitter aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Bronckhorst van 7 april 2008, kenmerk 22110;

II. gelast dat de gemeente Bronckhorst aan [verzoekster] het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 288,00 (zegge: tweehonderdachtentachtig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. I. Beurmanjer-de Lange, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll w.g. Beurmanjer-de Lange

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 juli 2008

241-570.