Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD6751

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-07-2008
Datum publicatie
09-07-2008
Zaaknummer
200707098/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 december 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zevenaar (hierna: het college) aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid BAM Rail B.V. (hierna: BAM Rail) onder voorschriften ontheffing verleend voor het uitvoeren van slijpwerkzaamheden aan het spoor op het grondgebied van de gemeente Zevenaar gedurende ongeveer twee nachten in het jaar 2006.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:69
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2008, 55K
Module Ruimtelijke ordening 2008/2169
Milieurecht Totaal 2008/2142
ABkort 2008/328
JB 2008/185 met annotatie van C.L.G.F.H. A.
JIN 2008/709
JOM 2008/647 met annotatie van C.L.G.F.H. A.
JOM 2008/626
JIN 2008/687
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200707098/1.

Datum uitspraak: 9 juli 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Zevenaar,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak nr. 06/3150 van de rechtbank Arnhem van 28 augustus 2007 in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid BAM Rail B.V., gevestigd te Breda

en

het college van burgemeester en wethouders van Zevenaar.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 december 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zevenaar (hierna: het college) aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid BAM Rail B.V. (hierna: BAM Rail) onder voorschriften ontheffing verleend voor het uitvoeren van slijpwerkzaamheden aan het spoor op het grondgebied van de gemeente Zevenaar gedurende ongeveer twee nachten in het jaar 2006.

Bij besluit van 18 april 2006 heeft het college het door BAM Rail daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 28 augustus 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Arnhem (hierna: de rechtbank) het door BAM Rail daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 18 april 2006 vernietigd en het besluit van 22 december 2005 herroepen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 5 oktober 2007, hoger beroep ingesteld.

BAM Rail heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 juni 2008, waar het college, vertegenwoordigd door T.C.W.M. Goes, ambtenaar in dienst van de gemeente, en BAM Rail, vertegenwoordigd door mr. H.A. Samuels Brusse-van der Linden, advocaat te Utrecht en mr. J.J. Leissner, advocaat te Bunnik, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 4.1.2.5, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening Zevenaar (hierna: de APV) is het verboden toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten op een zodanige wijze dat voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.

Ingevolge het tweede lid kan het college van het in het eerste lid bepaalde ontheffing verlenen.

Ingevolge het derde lid geldt het in het eerste lid bepaalde niet voor zover - onder meer - de op de Wet geluidhinder (hierna: Wgh) gebaseerde voorschriften van toepassing zijn.

Ingevolge artikel 105 van de Wgh, zoals dat luidde ten tijde van belang, kunnen, in het belang van het voorkomen of beperken van geluid- of trillinghinder, veroorzaakt door het gebruik van een spoor- , tram-, of metroweg, bij of krachtens algemene maatregel van bestuur eisen worden gesteld met betrekking tot aard, samenstelling, wijze van aanleg of gebruik van de spoorweginfrastructuur.

De in artikel 105 van de Wgh bedoelde algemene maatregel van bestuur is het Besluit geluidhinder spoorwegen (hierna: het Bgs) zoals dat luidde ten tijde van belang.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder h, van het Bgs, zoals dat luidde ten tijde van belang, wordt onder geluidsbelasting vanwege een spoorweg verstaan de etmaalwaarde van het equivalente geluidsniveau in dB(A) op een bepaalde plaats, veroorzaakt door het gezamenlijk spoorwegverkeer op een bepaald spoorweggedeelte of een combinatie van spoorweggedeelten.

Ingevolge artikel 23, eerste lid, van het Bgs, zoals dat luidde ten tijde van belang, stelt de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer ten behoeve van de vaststelling van de geluidsbelasting, vanwege een spoorweg, regels voor het bepalen van het equivalente geluidsniveau, inhoudende op welke wijze en met inachtneming van welke bestaande of te verwachten omstandigheden de afwisselende niveaus van het ter plaatse optredende geluid worden vastgesteld en op welke wijze uit de over een bepaalde periode verkregen uitkomsten het gemiddelde wordt afgeleid.

Het Reken- en Meetvoorschrift Railverkeerslawaai strekt tot uitvoering van artikel 23 van het Bgs en beschrijft op welke wijze het equivalente geluidsniveau vanwege een spoorweg kan worden berekend of gemeten.

2.2. Het college heeft aan BAM Rail onder voorschriften ontheffing verleend, als bedoeld in artikel 4.1.2.5, tweede lid, van de APV, van het verbod om geluidhinder te veroorzaken in verband met nachtelijke onderhoudswerkzaamheden aan het spoor.

2.3. De rechtbank heeft ambtshalve overwogen dat het college niet bevoegd was de ontheffing te verlenen omdat geen ontheffing krachtens artikel 4.1.2.5, tweede lid, van de APV vereist is. Naar het oordeel van de rechtbank valt het rijden van de slijptrein onder het gebruik van de spoorweginfrastructuur als bedoeld in artikel 105 van de Wgh omdat het betreft het rijden over een doorgaande spoorweg. De rechtbank heeft overwogen dat het Bgs op de door de slijptrein veroorzaakte geluidhinder van toepassing is en dat de APV derhalve toepassing mist. Hierbij heeft de rechtbank van belang geacht dat zowel het Bgs als de betreffende bepaling van de APV als motief hebben het voorkomen en beperken van geluidhinder.

2.4. Het college bestrijdt dit oordeel van de rechtbank. Het betoogt dat de rechtbank zich had kunnen beperken tot de in geding zijnde voorschriften van de ontheffing, omdat de omstandigheid dat ontheffing is verleend op grond van de APV niet in geschil is.

2.4.1. Dit betoog faalt. De rechtbank is niet buiten de omvang van het geding getreden door in het licht van het bepaalde in het derde lid van artikel 4.1.2.5. van de APV te beoordelen of de Wgh van toepassing is. De rechtbank heeft aldus, overeenkomstig artikel 8:69, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht ambtshalve de rechtsgronden aangevuld. De rechter bepaalt aan de hand van welke rechtsregels het aan hem voorgelegde geschil moet worden beslecht en wat die rechtsregels inhouden. Daarbij is hij niet gebonden aan enige door partijen naar voren gebrachte rechtsopvatting, ook niet indien deze door alle partijen wordt gedeeld.

2.5. Voorts betoogt het college dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de op het spoor met de slijptrein uit te voeren werkzaamheden, waarop de door hem verleende ontheffing betrekking heeft, het slijpen van het spoor, niet als het gebruik van de infrastructuur van het spoor of het rijden over het spoor en derhalve als het gebruik van de spoorweginfrastructuur, bedoeld in artikel 105 van de Wgh, zijn aan te merken, maar als het verrichten van incidentele onderhoudswerkzaamheden aan het spoor en dat het college bevoegd was ontheffing te verlenen op grond van de APV.

2.5.1. Artikel 4.1.2.5, eerste lid, van de APV heeft betrekking op de vormen van geluidhinder waarin de Wgh niet voorziet. Ingevolge artikel 122 van de Gemeentewet vervalt de bepaling in de APV van rechtswege indien in het onderwerp door een wet of een algemene maatregel van bestuur wordt voorzien.

Anders dan de rechtbank, is de Afdeling van oordeel dat niet in geding is het rijden van de slijptrein, maar het slijpen door de slijptrein.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 30 januari 2002 in zaak nr. 200002792/2; aangehecht) heeft het Bgs betrekking op gepland vervoer van een samenstelling van railverbindingen die onder treinnummer rijden en die zijn opgenomen in een dienstregeling.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder h, van het Bgs wordt onder geluidsbelasting vanwege een spoorweg verstaan de etmaalwaarde van het equivalente geluidsniveau veroorzaakt door het gezamenlijk spoorverkeer. Het vaststellen van die waarde, ter bepaling van de geluidsbelasting op de zone van de spoorweg vindt plaats volgens de regels van het Reken- en Meetvoorschrift Railverkeerslawaai waarbij wordt uitgegaan van de gegevens uit het emissieregister spoorgeluid, het zogeheten akoestisch spoorboekje. In dit emissieregister zijn gegevens opgenomen, omtrent voor zover thans van belang, het aantal en de soort treinen die als doorgaand personen- en goederenvervoer, voorzien in een dienstregeling, van een bepaald traject van het spoorwegnet gebruikmaken.

Ter zitting is onweersproken komen vast te staan dat de slijpwerkzaamheden met de slijptreinen niet zijn voorzien in een dienstregeling. De geluidhinder die deze treinen aldus veroorzaken, valt niet onder de werking van het Bgs.

Anders dan de rechtbank, is de Afdeling van oordeel dat het college bevoegd was ontheffing op grond van artikel 4.1.2.5, tweede lid, van de APV te verlenen. Het betoog slaagt derhalve.

2.6. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd.

Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen overweegt de Afdeling, gelet op het verweerschrift en het verhandelde ter zitting dat BAM Rail te kennen heeft gegeven met het college overeenstemming te hebben bereikt over de in geding zijnde voorschriften bij de ontheffing. Zodoende heeft zij geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van haar beroep. De Afdeling zal het beroep tegen het besluit van 18 april 2006 alsnog niet-ontvankelijk verklaren.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 28 augustus 2007 in zaak nr. 06/3150;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. C.J.M. Schuyt en mr. K.J.M. Mortelmans, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M.E.A. Neuwahl, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom w.g. Neuwahl

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2008

280-497.