Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD6746

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-07-2008
Datum publicatie
09-07-2008
Zaaknummer
200707496/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 september 2006, dat op schrift is gesteld op 5 oktober 2006, heeft het college van burgemeester en wethouders van Steenwijkerland (hierna: het college) het terrein, plaatselijk bekend camping Resort Venetië, Kerkweg 35 te Giethoorn, verzegeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200707496/1.

Datum uitspraak: 9 juli 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Recracenter Parken B.V., gevestigd te Putten,

appellante,

tegen de uitspraak in zaak nr. 07/615 van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 19 september 2007 in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Recracenter Parken B.V.

en

het college van burgemeester en wethouders van Steenwijkerland.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 september 2006, dat op schrift is gesteld op 5 oktober 2006, heeft het college van burgemeester en wethouders van Steenwijkerland (hierna: het college) het terrein, plaatselijk bekend camping Resort Venetië, Kerkweg 35 te Giethoorn, verzegeld.

Bij besluit van 27 februari 2007 heeft het college, voor zover thans van belang, het door de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Recracenter Parken B.V. (hierna: Recracenter) daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 19 september 2007, verzonden op 24 september 2007, heeft de rechtbank Zwolle-Lelystad (hierna: de rechtbank), voor zover thans van belang, het door Recracenter daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard voor zover betrekking hebbend op de ongegrondverklaring van het bezwaar gericht tegen het spoedshalve toepassen van bestuursdwang, het besluit van 27 februari 2007 in zoverre vernietigd, het bezwaar in zoverre gegrond verklaard, het op 5 oktober 2006 op schrift gestelde besluit tot het spoedshalve toepassen van bestuursdwang herroepen en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit van 27 februari 2007. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft Recracenter bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 oktober 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 21 november 2007.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van Recracenter. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 mei 2008, waar Recracenter, vertegenwoordigd door haar directeur, bijgestaan door mr. D.A.J.M. Melchers, advocaat te Arnhem, en het college, vertegenwoordigd door N. Kocic, mr. M.A. Hoven en ing. M.T. van den Broek, ambtenaren in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de per 1 januari 2008 vervallen Wet op de openluchtrecreatie (hierna: de Wor) is het verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders een kampeerterrein te houden.

Ingevolge artikel 10, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wor kan een vergunning als bedoeld in artikel 8, eerste lid, slechts worden verleend indien is voldaan of op redelijke wijze zal worden voldaan aan de regelen gesteld bij of krachtens deze wet.

2.2. Het college heeft Recracenter op 28 september 2006 telefonisch meegedeeld handhavend te zullen optreden indien zij zich, zolang zij niet beschikt over de vereiste vergunning, niet onthoudt van werkzaamheden die betrekking hebben op de herinrichting van het kampeerterrein. Toen het college op 29 september 2006 constateerde dat Recracenter toch bezig was met het herinrichten van het kampeerterrein, heeft het college dat verzegeld omdat Recracenter heeft gehandeld in strijd met artikel 8, eerste lid, van de Wor.

2.3. Onbestreden is het oordeel van de rechtbank dat ten tijde van het toepassen van bestuursdwang op 29 september 2006 van een zeer urgente situatie geen sprake was en dat niet valt in te zien waarom het college geen normale bestuursdwangaanschrijving heeft doen uitgaan.

2.4. Recracenter betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college bevoegd was tot het toepassen van bestuursdwang en dat geen concreet zicht op legalisatie bestond. Volgens Recracenter heeft de rechtbank niet onderkend dat op 29 september 2006 negen stacaravans op het terrein waren geplaatst, die samen met toercaravans en tenten wel degelijk waren in te passen in de in 1997 verleende vergunning. De beoogde plaatsing van 44 stacaravans en de wijziging van de indeling en inrichting vielen eveneens binnen deze vergunning. Derhalve kan niet worden gezegd dat Recracenter heeft gehandeld in strijd met artikel 8, eerste lid, van de Wor, aldus Recracenter. Verder heeft de rechtbank volgens Recracenter miskend dat concreet zicht op legalisatie bestond. Zij verwijst naar de brief van het college van 14 maart 2006, waarin het college haar naar aanleiding van haar aanvraag om een gewijzigde vergunning heeft laten weten voornemens te zijn die te verlenen.

2.5. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de door Recracenter beoogde nieuwe situatie ten aanzien van de te plaatsen kampeermiddelen, de indeling en de uitstraling van het kampeerterrein zodanig verschilt van de situatie waarvoor in 1997 vergunning is verleend, dat die nieuwe situatie niet onder die vergunning kan worden gebracht. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat Recracenter, door zonder in het bezit te zijn van een nieuwe vergunning, de situatie op het terrein reeds ingrijpend te wijzigen en over te gaan tot herinrichting van het terrein en tot plaatsing van stacaravans, ook al waren dat er op 29 september 2006 naar haar stellen maar negen, heeft gehandeld in strijd met artikel 8, eerste lid, van de Wor, zodat het college bevoegd was tot het toepassen van bestuursdwang.

Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

Vaststaat dat Recracenter een gewijzigde vergunning heeft aangevraagd en dat het college haar op 14 maart 2006 heeft laten weten voornemens te zijn die vergunning te verlenen. Hoewel naar aanleiding van dit voornemen zienswijzen zijn ingediend die ertoe hebben geleid dat het college aanvullende voorschriften aan de vergunningverlening heeft gesteld, is de Afdeling, anders dan de rechtbank, van oordeel dat op 29 september 2006, het moment van verzegeling van het kampeerterrein, concreet uitzicht op legalisatie bestond. Het college is derhalve naar het oordeel van de Afdeling ten onrechte overgegaan tot het toepassen van bestuursdwang.

2.6. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, behoudens voor zover betrekking hebbend op het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen het uitblijven van een besluit op de aanvraag. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het inleidende beroep gegrond verklaren, het besluit van 27 februari 2007 vernietigen wegens strijd met artikel 8, eerste lid, van de Wor en het op 5 oktober 2006 op schrift gestelde besluit van 29 september 2006 herroepen. Hetgeen overigens is aangevoerd, behoeft geen bespreking meer.

2.7. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 19 september 2007 in zaak nr. 07/615, behoudens voor zover betrekking hebbend op het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen het uitblijven van een besluit op de aanvraag;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Steenwijkerland van 27 februari 2007, kenmerk 0709-1635-VROM-NK;

V. herroept het op 5 oktober 2006 op schrift gestelde besluit van het college van burgemeester en wethouders van Steenwijkerland van 29 september 2006, kenmerk 0640-1634-VROM-NK;

VI. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 27 februari 2007;

VII. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Steenwijkerland tot vergoeding van bij de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Recracenter Parken B.V. in verband met de behandeling van het bezwaar opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Steenwijkerland aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Recracenter Parken B.V. onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VIII. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Steenwijkerland tot vergoeding van bij de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Recracenter Parken B.V. in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.288,00 (zegge: eenduizendtweehonderdachtentachtig euro) geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Steenwijkerland aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Recracenter Parken B.V. onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

IX. gelast dat de gemeente Steenwijkerland aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Recracenter Parken B.V. het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 713,00 (zegge: zevenhonderddertien euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. B. van Wagtendonk, voorzitter, en mr. W.D.M. van Diepenbeek en mr. K.J.M. Mortelmans, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van der Smissen, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Wagtendonk w.g. Van der Smissen

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2008

419.