Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD6745

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-07-2008
Datum publicatie
09-07-2008
Zaaknummer
200800868/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 maart 2007 heeft de minister voor Wonen, Wijken en Integratie (hierna: de minister) de aanvraag van [appellante] om een koopsubsidie afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200800868/1.

Datum uitspraak: 9 juli 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nr. 07/1570 van de rechtbank Utrecht van 17 december 2007 in het geding tussen:

[appellante]

en

de minister voor Wonen, Wijken en Integratie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 5 maart 2007 heeft de minister voor Wonen, Wijken en Integratie (hierna: de minister) de aanvraag van [appellante] om een koopsubsidie afgewezen.

Bij besluit van 22 mei 2007 heeft de minister het daartegen door [appellante] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 17 december 2007, verzonden op 20 december 2007, heeft de rechtbank Utrecht (hierna: de rechtbank) het daartegen door [appellante] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 februari 2008, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 juni 2008, waar [appellante] in persoon en bijgestaan door mr. J.A.W. Enoch, advocaat te Utrecht, en de minister, vertegenwoordigd door mr. drs. J. Duthler en mr. K. Ulmer, beiden werkzaam bij SenterNovem, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de Wet bevordering eigenwoningbezit (hierna: de Wbe) kent de minister ter tegemoetkoming in de kosten van het in eigendom verkrijgen en vervolgens kunnen blijven bewonen van een woning op aanvraag van de eigenaar-bewoner een eigenwoningbijdrage toe als aan de wettelijke eisen wordt voldaan.

Ingevolge het derde lid wordt een eigenwoningbijdrage slechts toegekend ten behoeve van het in eigendom verkrijgen en vervolgens kunnen blijven bewonen van een woning.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wbe wordt onder eigenaar-bewoner verstaan: natuurlijke persoon die, alleen of gezamenlijk met een persoon als bedoeld in artikel 2, eerste lid, a of b, een woning volledig in eigendom verkrijgt en daarin zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, zijn degenen die behoren tot het huishouden van de eigenaar-bewoner, bedoeld in deze wet en de daarop rustende bepalingen, de eigenaar-bewoner en:

a. zijn niet duurzaam gescheiden levende echtgenoot of geregistreerde partner, of

b. degene die gezamenlijk met de eigenaar-bewoner de woning bewoont en daarin met hem een gezamenlijke huishouding voert, niet zijnde een bloed- of aanverwant van de eigenaar-bewoner of een pleegkind.

Ingevolge artikel 22 is voor een primaire toekenning vereist dat de woning niet in eigendom is verkregen onder voorwaarden die de beschikkingsmacht van de eigenaar-bewoner over de woning op enigerlei wijze inperken, voor zover niet rechtstreeks voortvloeiend uit Boek 5, titel 9, van het Burgerlijk Wetboek en behoudens bij algemene maatregel van bestuur opgenomen beperkingen.

Ingevolge artikel 24, eerste lid, kan de minister, behalve bij een primaire toekenning, ambtshalve of op verzoek van de eigenaar-bewoner, als in een bepaald geval de onverkorte toepassing van de desbetreffende bepalingen, gelet op het belang dat deze wet beoogt te beschermen, tot een onbillijkheid van overwegende aard zou leiden:

a. bij de toepassing van de artikelen 3, eerste lid, en 4, eerste lid, een persoon als bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, buiten beschouwing laten;

b. bij de toepassing van artikel 4, tweede lid, bepaalde inkomsten of vermogensbestanddelen geheel of gedeeltelijk buiten beschouwing laten.

2.2. De onderhavige aanvraag om koopsubsidie betreft een eigenwoningbijdrage als bedoeld in de Wbe en ziet op de aankoop van de woning aan de [locatie] te [plaats] (hierna: de woning). Niet in geschil is dat [appellante] voor 99% eigenares is van de woning en haar oom voor de resterende 1% eigenaar is. [appellante] bewoont de woning alleen.

2.3. De minister heeft de afwijzing van de aanvraag van [appellante] bij het besluit op bezwaar van 22 mei 2007 gehandhaafd. Daaraan heeft de minister ten grondslag gelegd dat [appellante] de eigendom van de woning reeds vóór de indiening van de aanvraag had verkregen, zodat niet is voldaan aan de eis van artikel 6, derde lid, van de Wbe, en dat [appellante] de woning niet volledig in eigendom heeft verkregen, terwijl artikel 1, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wbe dat wel als voorwaarde stelt, en ten slotte dat hierdoor tevens haar beschikkingsmacht over de woning is ingeperkt, zodat niet is voldaan aan de eis van artikel 22 van de Wbe.

2.4. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de minister de afwijzing van haar aanvraag terecht heeft gehandhaafd op de grond dat zij niet de volledige eigendom van de woning heeft verkregen. Daartoe voert zij aan dat de mede-eigendom van haar oom slechts is bedoeld om haar in staat te stellen de woning te kopen.

2.4.1. Gegeven de mede-eigendom van haar oom, heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat de minister [appellante] terecht niet heeft aangemerkt als eigenaar-bewoner zoals bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wbe. Zoals de rechtbank eveneens terecht heeft overwogen, komt de minister gezien artikel 6, eerste lid, gelezen in samenhang met het derde lid, van de Wbe niet de bevoegdheid toe om in geval van niet volledige eigendom toch een eigenwoningbijdrage te verstrekken. Aan de bedoeling van de mede-eigenaar kan derhalve geen betekenis toekomen. Het betoog faalt.

2.4.2. [appellante] heeft in beroep en hoger beroep niet betwist en ter zitting bevestigd, dat zij haar woning in eigendom heeft verkregen voordat op haar aanvraag was beslist. Met de minister moet worden geoordeeld dat daardoor niet is voldaan aan de eis van artikel 6, derde lid, van de Wbe.

2.4.3. Nu [appellante], gezien hetgeen hiervoor is overwogen, aan de Wbe geen aanspraak kan ontlenen voor het verkrijgen van een eigenwoningbijdrage, behoeft hetgeen zij heeft aangevoerd ten aanzien van artikel 22 van de Wbe geen bespreking meer.

2.5. Het betoog van [appellante] dat er op neerkomt dat de rechtbank heeft miskend dat zij door de op het aanvraagformulier vermelde informatie onvolledig was geïnformeerd, faalt evenzeer. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat de op het formulier genoemde voorwaarden correct zijn en dat daaruit verder blijkt dat de opsomming van de voorwaarden niet uitputtend is, zodat het op de weg van [appellante] had gelegen om zich er vóór de aankoop van haar woning van te vergewissen of zij voldeed aan alle voorwaarden om voor een eigenwoningbijdrage in aanmerking te komen.

2.6. Ten slotte betoogt [appellante] tevergeefs dat de rechtbank er ten onrechte aan is voorbijgegaan dat de minister toepassing had moeten geven aan de in artikel 24, eerste lid, van de Wbe vervatte hardheidsclausule, aangezien zij door persoonlijke omstandigheden niet langer in haar ouderlijk huis kon verblijven. De door [appellante] aangevoerde omstandigheid heeft geen betrekking op het toetsinkomen of toetsingsvermogen, terwijl de hardheidsclausule uit artikel 24, eerste lid, van de Wbe alleen daarop ziet. De rechtbank heeft dan ook terecht geen grond heeft gezien voor het oordeel dat de minister toepassing had moeten geven aan voornoemde bepaling.

2.7. Het hoger beroep ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, voorzitter, en mr. H.G. Lubberdink en mr. C.W. Mouton, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van Staat.

w.g. Konijnenbelt w.g. Van Meurs-Heuvel

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2008

47-496.