Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD6739

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-07-2008
Datum publicatie
09-07-2008
Zaaknummer
200707544/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 maart 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Winterswijk (hierna: het college) [appellant] onder oplegging van een dwangsom gelast de open schuur/overkapping (hierna: de schuur) op het perceel, kadastraal bekend [gemeente], sectie […], nummer […], te verwijderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200707544/1.

Datum uitspraak: 9 juli 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nr. 07/689 van de rechtbank Zutphen

van 27 september 2007 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Winterswijk.

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 maart 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Winterswijk (hierna: het college) [appellant] onder oplegging van een dwangsom gelast de open schuur/overkapping (hierna: de schuur) op het perceel, kadastraal bekend [gemeente], sectie […], nummer […], te verwijderen.

Bij besluit van 22 maart 2007 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 27 september 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Zutphen (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 oktober 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brieven, bij de Raad van State ingekomen op 19 november 2007, 29 november 2007 en 3 december 2007.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 juni 2008, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. F.J.M. Kobossen, advocaat te Deventer, en het college, vertegenwoordigd door mr. M.J. Wesselink, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 40, eerste lid, van de Woningwet is het verboden te bouwen zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders (bouwvergunning).

2.2. Vaststaat dat [appellant] de schuur heeft gebouwd zonder over de daartoe vereiste bouwvergunning te beschikken. Het college was derhalve bevoegd handhavend op te treden.

2.3. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.4. Anders dan [appellant] betoogt is de rechtbank op goede gronden tot het oordeel gekomen dat geen concreet uitzicht op legalisering van de schuur bestaat. De schuur is in strijd met het geldende bestemmingsplan "Buitengebied Winterswijk-Oost", alsook met het bestemmingsplan dat in procedure is, zodat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen geen medewerking aan vrijstelling te verlenen.

Voorts is de rechtbank op goede gronden tot het juiste oordeel gekomen dat het beroep op het overgangsrecht van het bestemmingsplan niet slaagt. Niet aannemelijk is dat de schuur is gebouwd vóór 1992. Uit het rapport van de handhavingsambtenaar van de gemeente Winterswijk van 10 juli 2003 en de daarbij behorende foto's moet worden afgeleid dat de schuur omstreeks eind mei 2003 is gebouwd.

Verder is niet gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan van de aanschrijving had moeten worden afgezien. Hetgeen [appellant] in dit verband heeft aangevoerd, biedt geen aanknopingspunten voor een ander oordeel dan dat van de rechtbank.

2.5. Er bestaat voorts geen grond om het oordeel van de rechtbank voor onjuist te houden, dat de hoogte van de dwangsom in redelijke verhouding staat tot de zwaarte van het door de overtreding geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsomoplegging. Ook het daartegen gerichte betoog van [appellant] faalt.

2.6. De slotsom is dat geen grond is voor het oordeel dat het college niet tot handhavend optreden tegen de schuur mocht besluiten. De rechtbank is tot dezelfde slotsom gekomen.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G.A.A.M. Boot, ambtenaar van Staat.

w.g. Bijloos w.g. Boot

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2008

202.