Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD6738

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-07-2008
Datum publicatie
09-07-2008
Zaaknummer
200707157/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 september 2006 heeft de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: de hoofddirectie) het verzoek van [wederpartij] om restitutie van het lesgeld voor het studiejaar 2003-2004 afgewezen.

Wetsverwijzingen
Les- en cursusgeldwet
Les- en cursusgeldwet 3
Les- en cursusgeldwet 5
Les- en cursusgeldwet 9b
Uitvoeringsbesluit Les- en cursusgeldwet 2000
Uitvoeringsbesluit Les- en cursusgeldwet 2000 2
Uitvoeringsbesluit Les- en cursusgeldwet 2000 7
Uitvoeringsbesluit Les- en cursusgeldwet 2000 8
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2008/186
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200707157/1.

Datum uitspraak: 9 juli 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep, gevestigd te Groningen,

appellante,

tegen de uitspraak in zaak nr. 07/333 van de rechtbank Utrecht van 25 september 2007 in het geding tussen:

de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep

en

[wederpartij].

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 september 2006 heeft de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: de hoofddirectie) het verzoek van [wederpartij] om restitutie van het lesgeld voor het studiejaar 2003-2004 afgewezen.

Bij besluit van 21 december 2006 heeft de hoofddirectie het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 25 september 2007, verzonden op 27 september 2007, heeft de rechtbank Utrecht (hierna: de rechtbank) het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 21 december 2006 vernietigd, het besluit van 27 september 2006 herroepen en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de hoofddirectie bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 oktober 2007, hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 mei 2008, waar de hoofddirectie, vertegenwoordigd door drs. P.M.S. Slagter, werkzaam bij de Informatie Beheer Groep (hierna: de IB-Groep), en [wederpartij], vertegenwoordigd door mr. J.A. Cenijn, advocaat te Woerden, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Les- en cursusgeldwet (hierna: de Lcw) is lesgeld verschuldigd ter zake van het door een leerling die op de eerste dag van het desbetreffende cursusjaar de leeftijd van 18 jaren heeft bereikt, volgen van uit de openbare kas bekostigd onderwijs

- daaronder begrepen de van het onderwijs deel uitmakende praktijktijd - aan een dagschool.

Ingevolge het tweede lid is het lesgeld door de leerling verschuldigd per cursusjaar en wordt het voldaan aan de IB-Groep.

Ingevolge artikel 5, vierde lid, worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels gesteld met betrekking tot de voldoening en de vrijstelling, vermindering en terugbetaling van het lesgeld.

Ingevolge artikel 9b kan de IB-Groep voor bepaalde gevallen de wet buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing gelet op het belang dat deze wet beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Les- en cursusgeldwet 2000 (hierna: het Uitvoeringsbesluit) kan een aanvraag tot inschrijving van een leerling bij een dagschool uitsluitend worden gedaan door inlevering bij de dagschool van een onderwijskaart. Deze kaart wordt ingevuld en ondertekend door de leerling. Door ondertekening van de kaart verklaart de aanvrager dat hij bekend is met de wettelijke verplichting tot het betalen van lesgeld.

Ingevolge het tweede lid gaat de lesgeldplicht in op de eerste dag van het desbetreffende schooljaar of, indien de leerling in de loop van het schooljaar wordt ingeschreven, op de datum van inschrijving.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, zoals dit artikel luidde ten tijde hier van belang en voor zover thans van belang, wordt, indien de inschrijving wordt beëindigd vanwege een in het tweede lid genoemde reden, voor het desbetreffende schooljaar op aanvraag van de lesgeldplichtige bij beëindiging na 31 december en vóór 1 april viertwaalfde deel van het lesgeld terugbetaald.

Ingevolge het tweede lid is teruggave van lesgeld uitsluitend mogelijk indien de inschrijving is beëindigd in verband met:

a. het met goed gevolg hebben afgerond van de opleiding,

b. de inschrijving voor een cursus als bedoeld in artikel 15, eerste lid, mits die inschrijving plaatsvindt in het desbetreffende schooljaar,

c. overlijden of ernstige ziekte van de leerling, of

d. bij ministeriële regeling te bepalen bijzondere familieomstandigheden.

Ingevolge het derde lid wordt een aanvraag om teruggave van lesgeld voor het einde van het desbetreffende schooljaar gedaan op een bij ministeriële regeling te bepalen wijze.

Ingevolge artikel 8 verstrekken de dagscholen de IB-Groep gegevens omtrent de inschrijving op een bij ministeriële regeling te bepalen wijze.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Regeling Les- en cursusgeldwet wordt een aanvraag om teruggave van het lesgeld als bedoeld in artikel 7, derde lid, van het Uitvoeringsbesluit gedaan aan de IB-Groep.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a wordt bij een aanvraag om terugbetaling op grond van artikel 7, tweede lid, in geval van onderdeel a, van het Uitvoeringsbesluit een bewijsstuk overgelegd waaruit blijkt dat de opleiding met goed gevolg is afgerond.

2.2. Bij het besluit op bezwaar heeft de hoofddirectie het besluit van 27 september 2006 gehandhaafd en zich op het standpunt gesteld dat het verzoek om restitutie van het lesgeld voor het schooljaar 2003-2004 niet is ingediend voor het einde van het desbetreffende schooljaar en verder dat dit verzoek niet in overeenstemming met het door de hoofddirectie gehanteerde begunstigend beleid is ingediend binnen zes weken na de verzenddatum van het na afloop van het desbetreffende schooljaar aan [wederpartij] verzonden verzoek om betaling van het lesgeld voor dat schooljaar.

2.3. Niet in geschil is dat het verzoek van [wederpartij] om restitutie van het lesgeld voor het schooljaar 2003-2004 niet vóór 31 juli 2004 is ingediend. Evenmin is in geschil dat dit verzoek niet binnen zes weken na de verzenddatum van het verzoek om betaling van het lesgeld is ingediend.

2.4. De hoofddirectie komt op tegen het oordeel van de rechtbank dat zij niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten de weigering tot restitutie van het lesgeld vanwege overschrijding van de door haar intern gehanteerde termijn van zes weken na verzending van het eerste betalingsverzoek, te handhaven.

Hiertoe betoogt de hoofddirectie allereerst dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het begunstigend beleid niet schriftelijk is vastgelegd, aangezien dit schriftelijk is vastgelegd in een interne leidraad.

Voorts heeft de rechtbank volgens de hoofddirectie ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, overwogen dat niet is komen vast te staan dat sprake is van consistente toepassing van het door haar gehanteerde begunstigend beleid, nu de rechtbank haar niet in de gelegenheid heeft gesteld aannemelijk te maken dat ook in andere vergelijkbare gevallen dat beleid overeenkomstig is toegepast.

Ten slotte betoogt de hoofddirectie dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het stellen en handhaven van een termijn van zes weken na verzending van het eerste betalingsverzoek geboden was om tot toepassing van de hardheidsclausule te kunnen komen. Hiertoe voert zij aan dat [wederpartij] ermee bekend had kunnen en moeten zijn dat het verzoek om restitutie uiterlijk 31 juli 2004 moest worden ingediend. Voorts had het op de weg van [wederpartij] gelegen om het verzoek zo spoedig mogelijk doch in ieder geval binnen een termijn van zes weken na verzending van het eerste betalingsverzoek in te dienen, nu een belanghebbende in het geval van verschoonbare termijnoverschrijding van een fatale termijn zo spoedig mogelijk dan wel binnen een redelijke termijn alsnog actie dient te ondernemen.

2.4.1. Vaststaat dat het Regionaal Opleidingen Centrum ASA Onderwijsgroep (hierna: het ROC) ten gevolge van een administratieve fout de door [wederpartij] ondertekende onderwijskaart voor het schooljaar 2003-2004, waarmee zij zich heeft verplicht tot betaling per acceptgiro van het lesgeld voor dat schooljaar, eerst bij brief van 22 juni 2006 aan de IB-Groep heeft gezonden en dat eerst op 31 juli 2006 een acceptgiro ter betaling van het lesgeld aan [wederpartij] is gezonden.

Indien het eerste verzoek om betaling van lesgeld na 31 juli van het schooljaar waarvoor lesgeld is verschuldigd, wordt verstuurd, hanteert de hoofddirectie begunstigend beleid waarmee zij nadere invulling heeft gegeven aan de haar ingevolge artikel 9b van de Lcw toekomende bevoegdheid. De hoofddirectie heeft dit beleid neergelegd in een interne leidraad. In haar hoger-beroepschrift heeft de hoofddirectie dit beleid als volgt geciteerd:

"Te laat ingediend verzoek. Indien het restitutieverzoek te laat binnenkomt dient altijd te worden beoordeeld of er sprake is van verschoonbare termijnoverschrijding. Zie hiervoor ook de leidraad 06.11_a1 AWB. In de volgende situatie is in elk geval sprake van een tijdig ingediend verzoek. Indien het eerste betalingsverzoek korter dan 6 weken voor 31 juli of zelfs na 31 juli van enig schooljaar wordt verstuurd kan restitutie worden aangevraagd tot zes weken na de verzenddatum van dat eerste betalingsverzoek."

2.4.2. Het verzoek van [wederpartij] om restitutie van het lesgeld voor het schooljaar 2003-2004 is op 18 september 2006 door de hoofddirectie ontvangen; het is derhalve niet binnen zes weken na verzending van het eerste betalingsverzoek ingediend. Nu volgens het hiervoor geciteerde beleid in alle gevallen dat een verzoek om restitutie van lesgeld niet tijdig wordt ingediend, dient te worden beoordeeld of de overschrijding van de termijn verschoonbaar is, bestaat er ruimte voor toepassing van de hardheidsclausule zoals neergelegd in artikel 9b van de Lcw, in het geval een restitutieverzoek niet binnen zes weken na de verzenddatum van het eerste betalingsverzoek is ingediend. Die ruimte blijkt ook uit de woorden "in elk geval", welke aangeven dat niet uitgesloten is dat restitutieverzoeken ingediend na deze termijn van zes weken verschoonbaar geacht moeten worden.

Ter beantwoording ligt voor de vraag of de hoofddirectie, in aanmerking genomen de bijzondere omstandigheden van het geval, in redelijkheid heeft kunnen weigeren toepassing te geven aan de hardheidsclausule. Ten aanzien van de toepassing van de hardheidsclausule beschikt de hoofddirectie over een discretionaire bevoegdheid die door de bestuursrechter terughoudend wordt getoetst.

Voorop staat dat, nu het eerste betalingsverzoek eerst ver na het verstrijken van de in artikel 7, derde lid, van het Uitvoeringsbesluit genoemde termijn aan [wederpartij] is gezonden, zij nimmer aan het vereiste van dit artikel kon voldoen. Voorts is het niet aan [wederpartij] te wijten dat dit betalingsverzoek haar niet tijdig is toegezonden. Zoals ter zitting door de hoofddirectie is bevestigd, is de in artikel 9b van het Uitvoeringsbesluit neergelegde hardheidsclausule voor een dergelijke situatie bedoeld. De hoofddirectie heeft bij besluit van 27 september 2006 het restitutieverzoek van [wederpartij] afgewezen omdat dit niet vóór 31 juli 2004 was ingediend en heeft daarbij niet verwezen naar haar op de hardheidsclausule gebaseerde interne leidraad, noch naar de nadere indieningstermijn van zes weken na de verzenddatum van het eerste betalingsverzoek. Eerst bij het besluit op bezwaar heeft de hoofddirectie [wederpartij] tegengeworpen dat zij het restitutieverzoek niet binnen de in het beleid neergelegde termijn had ingediend. Ter zitting is door de hoofddirectie bevestigd dat de interne leidraad niet is opgenomen in de informatiebrochure van de IB-Groep, maar uitsluitend is te raadplegen op het intranet van de IB-Groep. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, kon [wederpartij] dan ook niet bekend zijn met de in de interne leidraad genoemde nadere indieningstermijn. Ter zitting is voorts niet weersproken dat de gemachtigde van [wederpartij] telefonisch contact heeft gehad met een medewerker van de IB-Groep die op de hoogte had kunnen zijn van de op het intranet van de IB-Groep vermelde interne leidraad, die aan de gemachtigde desgevraagd heeft medegedeeld dat er mogelijkheden voor restitutie waren indien hij alsnog een restitutieverzoek en een gewaarmerkte kopie van het diploma zou toezenden en na de (standaard)afwijzing daarvan daartegen bezwaar zou maken.

Gelet op de hiervoor vermelde omstandigheden is de Afdeling van oordeel dat de hoofddirectie [wederpartij] niet in redelijkheid heeft kunnen tegenwerpen dat zij haar verzoek om restitutie niet binnen zes weken na de verzenddatum van het betalingsverzoek heeft ingediend. Niet valt in te zien dat de hoofddirectie de termijnoverschrijding in redelijkheid niet verschoonbaar heeft kunnen achten. Hierbij is van betekenis geacht dat [wederpartij] na de schoolvakantie, in welke periode het ROC was gesloten, voortvarend heeft gehandeld ten einde een gewaarmerkte kopie van haar diploma te verkrijgen en deze tezamen met het restitutieverzoek binnen zeven weken na de verzenddatum van het eerste betalingsverzoek heeft ingediend. De rechtbank is derhalve terecht tot het oordeel gekomen dat de hoofddirectie niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren toepassing te geven aan de in artikel 9b van de Lcw neergelegde hardheidsclausule.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. De rechtbank heeft terecht het besluit van 27 september 2006 herroepen, maar ten onrechte haar beslissing op het verzoek van [wederpartij] om restitutie van lesgeld niet in het dictum tot uitdrukking gebracht. De Afdeling zal alsnog bepalen dat [wederpartij], voor zover zij het lesgeld voor het schooljaar 2003-2004 reeds heeft betaald, recht heeft op restitutie van viertwaalfde deel daarvan, te weten € 916,00/3 = € 305,33, en voor zover zij het lesgeld voor dat schooljaar nog niet heeft betaald, zij een bedrag groot € 305,33 niet hoeft te betalen.

2.6. De hoofddirectie dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. bepaalt dat [wederpartij], voor zover zij het lesgeld voor het schooljaar 2003-2004 heeft betaald, recht heeft op restitutie van viertwaalfde deel daarvan, te weten € 916,00/3 = € 305,33 (zegge: driehonderdvijf euro en drieëndertig eurocent), en voor zover zij het lesgeld voor dat schooljaar nog niet heeft betaald, een bedrag groot € 305,33 (zegge: driehonderdvijf euro en drieëndertig eurocent) niet hoeft te betalen;

III. veroordeelt de hoofddirectie tot vergoeding van bij [wederpartij] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro) geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de IB-Groep aan [wederpartij] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald.

IV. bepaalt dat van de IB-Groep een griffierecht van € 428,00 (zegge: vierhonderdachtentwintig euro) wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. W.D.M. van Diepenbeek en mr. B.P. Vermeulen, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Van Meurs-Heuvel

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2008

47-505.