Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD6730

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-07-2008
Datum publicatie
09-07-2008
Zaaknummer
200706601/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 31 oktober 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Aalten (hierna: het college) aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Metaalgaasweverij Dinxperlo B.V. (hierna: Metaalgaasweverij Dinxperlo) lasten onder dwangsom opgelegd vanwege overtreding van de voorschriften 1.11, 6.2, 7.11 en 7.18 die zijn verbonden aan de op 21 maart 2000 voor de inrichting van Metaalgaasweverij Dinxperlo aan de Industriestraat 14 te Dinxperlo verleende revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 7:12
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.22
Wet milieubeheer 8.23
Wet milieubeheer 8.25
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2008/4288
Omgevingsvergunning in de praktijk 2008/4163
Omgevingsvergunning in de praktijk 2008/2427
JOM 2008/616
OGR-Updates.nl 1001642
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200706601/1.

Datum uitspraak: 9 juli 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Metaalgaasweverij Dinxperlo B.V., gevestigd te Aalten,

appellante,

en

het college van burgemeester en wethouders van Aalten,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 31 oktober 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Aalten (hierna: het college) aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Metaalgaasweverij Dinxperlo B.V. (hierna: Metaalgaasweverij Dinxperlo) lasten onder dwangsom opgelegd vanwege overtreding van de voorschriften 1.11, 6.2, 7.11 en 7.18 die zijn verbonden aan de op 21 maart 2000 voor de inrichting van Metaalgaasweverij Dinxperlo aan de Industriestraat 14 te Dinxperlo verleende revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer.

Bij besluit van 31 juli 2007 heeft het college het door Metaalgaasweverij Dinxperlo hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft Metaalgaasweverij Dinxperlo bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 september 2007, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het college en Metaalgaasweverij Dinxperlo hebben nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partij gezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 mei 2008, waar Metaalgaasweverij Dinxperlo, vertegenwoordigd door mr. E. van der Hoeven en [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. S.W. Knoop, advocaat te Zwolle, en [gemachtigde], zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het college betoogt dat als gevolg van de inwerkingtreding van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer per 1 januari 2008 en de daarmee samenhangende wijziging van de Wet milieubeheer, voor het in werking hebben van de inrichting geen milieuvergunning meer is vereist. In verband daarmee zou het belang bij een beoordeling van het bestreden besluit gedeeltelijk zijn vervallen.

2.1.1. In de bijlage bij het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer zijn krachtens artikel 8.1, tweede lid, van de Wet milieubeheer inrichtingen aangewezen die slechts met een krachtens deze wet verleende vergunning in werking mogen zijn.

In de bijlage, onder h, zijn inrichtingen voor het vervaardigen of verwerken van elastomeren of kunststoffen aangewezen. In de bijlage, noch de toelichting daarop, is uiteengezet wat onder verwerken moet worden verstaan. Naar het oordeel van de Afdeling moet onder verwerken in de zin van de bijlage, voor zover hier van belang, hetzelfde worden verstaan als onder verwerken in de zin van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer. In de toelichting bij die algemene maatregel van bestuur is vermeld dat onder verwerken kan worden verstaan: het doen opgaan van een (grond)stof, halffabricaat of product in een groter geheel of nieuw product.

Een onderdeel van de inrichting is een kunststofweverij, waar van kunststofdraad (horren)gaas wordt geweven. Dit moet naar het oordeel van de Afdeling worden aangemerkt als het verwerken van kunststof. Gelet hierop is op grond van artikel 8.1, tweede lid, van de Wet milieubeheer, samen met de bijlage bij het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer, ook na 1 januari 2008 voor het in werking zijn van de inrichting een vergunning vereist. Daarom is, anders dan het college betoogt, het belang bij een beoordeling van het bestreden besluit niet vervallen.

2.2. Metaalgaasweverij Dinxperlo kan zich niet verenigen met de last om vergunningvoorschrift 6.2 na te leven. In dit voorschrift is bepaald dat stoffen zodanig moeten worden bewaard en gebezigd dat geen verontreiniging van de bodem optreedt of kan optreden.

2.2.1. Het college meent dat het voorschrift is overtreden omdat de stof di-isononylftalaat (DINP) die bij het productieproces wordt geëmitteerd, neerslaat op de bodem. Metaalgaasweverij Dinxperlo heeft terecht betoogd dat deze conclusie berust op een onjuiste lezing van het voorschrift. Het voorschrift beoogt te voorkomen dat, bijvoorbeeld door lekkage of vermorsing, verontreiniging ontstaat op de plaats waar stoffen worden bewaard of toegepast. Het voorschrift ziet niet op elders optredende verontreiniging door emissies. Ter beperking van verontreinigingen door emissies zijn elders in de vergunning, te weten in voorschrift 7.1, specifieke grenswaarden gesteld, onder meer voor de emissie van DINP.

Gelet hierop heeft het college ten onrechte geconcludeerd dat vergunningvoorschrift 6.2 is overtreden en zich in zoverre ten onrechte bevoegd geacht om een last onder dwangsom op te leggen. Deze beroepsgrond slaagt.

2.3. Metaalgaasweverij Dinxperlo kan zich niet verenigen met de last om vergunningvoorschrift 7.11 na te leven. Voorschrift 7.11 luidt als volgt: "De, tijdens het geleren van pvc-poeder en het thermofixeren van glasfiber, vrijkomende dampen moeten zo dicht mogelijk bij de bron, zonder zich te kunnen verspreiden, mechanisch worden afgezogen door middel van een doelmatige afzuiginstallatie en worden afgevoerd naar een doelmatige filterinstallatie. Het rendement van deze luchtzuiveringsinstallatie dient ten minste 95% te zijn".

Volgens Metaalgaasweverij Dinxperlo wordt voorschrift 7.11 niet overtreden. Voor zover het college meent dat een te grote emissie van de mogelijk geurveroorzakende stof DINP optreedt, zou volgens haar geen handhaving van voorschrift 7.11 moeten plaatsvinden, maar van voorschrift 7.1, waarin voor deze stof een emissiegrenswaarde is opgenomen. Deze grenswaarde wordt echter niet overschreden, aldus Metaalgaasweverij Dinxperlo.

2.3.1. In het primaire besluit van 31 oktober 2006, noch het bestreden besluit, is toereikend gemotiveerd waarom voorschrift 7.11 zou zijn overtreden. De enkele vaststelling van het college dat er klachten over geurhinder zijn, brengt niet mee dat niet overeenkomstig voorschrift 7.11 doelmatig wordt afgezogen, noch dat de filterinstallatie niet doelmatig werkt en evenmin dat het filterrendement minder zou zijn dan 95%. Gezien het voorgaande heeft het college zonder nadere motivering niet kunnen concluderen dat voorschrift 7.11 is overtreden. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

Deze beroepsgrond slaagt.

2.4. Metaalgaasweverij Dinxperlo kan zich niet verenigen met de last om vergunningvoorschrift 7.18 na te leven. Dit voorschrift geeft regels over de uitmondingen van afvoeren ten aanzien waarvan in de vergunning geen andere voorschriften zijn gesteld.

Het college heeft de last opgelegd omdat, zo begrijpt de Afdeling het standpunt van het college, de afvoer van de zogenoemde thermofixeeroven zorgt voor stankoverlast. Ten aanzien van die afvoer zijn in de vergunningvoorschriften 7.11 en 7.12 al specifieke voorschriften gesteld, zodat voorschrift 7.18 niet van toepassing is op de afvoer van de thermofixeeroven. Gelet hierop heeft het college ten onrechte geconcludeerd dat vergunningvoorschrift 7.18 is overtreden en zich in zoverre ten onrechte bevoegd geacht om een last onder dwangsom op te leggen. Deze beroepsgrond slaagt eveneens.

2.5. Metaalgaasweverij Dinxperlo kan zich tot slot niet verenigen met de last om vergunningvoorschrift 1.11 na te leven. In dit voorschrift is bepaald dat degene die de inrichting drijft, gehouden is om te doen en na te laten hetgeen redelijkerwijs gevergd kan worden om het milieu zowel binnen als buiten de inrichting te beschermen.

In het primaire besluit heeft het college niet concreet aangegeven welke gedraging of welk nalaten van Metaalgaasweverij Dinxperlo strijd zou opleveren met voorschrift 1.11. Een nadere motivering op dit punt ontbreekt ook in het bestreden besluit. Daarin heeft het college met betrekking tot dit voorschrift enkel gesteld dat het voorschrift vrij algemeen is gesteld, en voor de verschillende milieucompartimenten nader is uitgewerkt in meer gedetailleerde voorschriften. Voorschrift 1.11 geldt volgens het college in dit geval in combinatie met de voorschriften 6.2, 7.11 en 7.18.

Gelet op deze motivering is in het bestreden besluit in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht ontoereikend gemotiveerd dat vergunningvoorschrift 1.11 is overtreden. Deze beroepsgrond slaagt.

2.5.1. In verband met het nieuw te nemen besluit op dit punt, merkt de Afdeling op dat het feit dat er geurklachten bestaan en dat de inrichting op onderdelen zonder vergunning is veranderd, anders dan in het verweerschrift wordt verondersteld, niet zonder meer meebrengt dat voorschrift 1.11 wordt overtreden. Verder wijst de Afdeling er in verband met die beslissing op dat, zoals ligt besloten in de overwegingen van haar uitspraak van 3 september 2003, in zaak nr. 200300168/1 (AB 2003, 388), de concrete voorschriften en beperkingen die zijn verbonden aan de voor die inrichting verleende milieuvergunning, bepalend zijn voor de reikwijdte van de zorgplicht die een drijver bij de exploitatie van een inrichting in acht heeft te nemen. De omstandigheid dat deze voorschriften naar het oordeel van het bevoegd gezag niet een toereikende bescherming van het milieu bieden, betekent niet dat de drijver van de inrichting in strijd met de zorgplicht handelt. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 31 augustus 2005, in zaak nr. 200500849/1 dient het bevoegd gezag in een dergelijk geval na te gaan of de vergunning met toepassing van artikel 8.22, 8.23 of 8.25 van de Wet milieubeheer voor wijziging dan wel intrekking in aanmerking komt. Daarnaast kan, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 8 december 2004 in zaak nr. 200401808/1;, een overtreding van de zorgplicht zich slechts voordoen in een geval waarin ernstige nadelige gevolgen voor het milieu optreden of acuut dreigen op te treden, terwijl de Wet milieubeheer er niet op andere wijze in voorziet om die gevolgen te voorkomen of zo veel mogelijk te beperken.

2.6. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking. De Afdeling ziet aanleiding toepassing te geven aan artikel 8:72, zesde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

2.7. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Aalten van 31 juli 2007, kenmerk 2230;

III. bepaalt dat de bij uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling van 14 november 2007 in zaak nr. 200706601/2 getroffen voorlopige voorziening doorloopt tot zes weken na de bekendmaking van het nieuwe besluit op het bezwaar, met dien verstande dat wanneer binnen die termijn wordt verzocht om een voorlopige voorziening te treffen met betrekking tot dat besluit, de bij uitspraak van 14 november 2007 getroffen voorlopige voorziening verder doorloopt totdat op dat verzoek is beslist;

IV. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Aalten tot vergoeding van bij Metaalgaasweverij Dinxperlo B.V. in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 694,00 (zegge: zeshondervierennegentig euro), waarvan € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door gemeente Aalten aan Metaalgaasweverij Dinxperlo B.V. onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

V. gelast dat gemeente Aalten aan Metaalgaasweverij Dinxperlo B.V. het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 285,00 (zegge: tweehonderdvijfentachtig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en mr. J.M. Boll en mr. C.W. Mouton, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Van der Zijpp

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2008

262-529.