Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD6727

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-07-2008
Datum publicatie
09-07-2008
Zaaknummer
200803734/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 april 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Graafstroom (hierna: het college) de melding, als bedoeld in artikel 8.19, tweede lid, van de Wet milieubeheer, van [vergunninghoudster] van de veranderingen van haar inrichting op het adres [locatie] te [plaats] geaccepteerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200803734/1.

Datum uitspraak: 4 juli 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoekster], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Graafstroom,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 april 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Graafstroom (hierna: het college) de melding, als bedoeld in artikel 8.19, tweede lid, van de Wet milieubeheer, van [vergunninghoudster] van de veranderingen van haar inrichting op het adres [locatie] te [plaats] geaccepteerd.

Tegen dit besluit heeft [verzoekster] bezwaar gemaakt.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 mei 2008, heeft [verzoekster] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 23 juni 2008, waar [verzoekster], in persoon en bijgestaan door mr. J.E. Dijk, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door A.P. van Dongen en J.A.M. van Etten, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting [vergunninghoudster], vertegenwoordigd door M. Spijkers en [gemachtigde], gehoord.

2. Overwegingen

2.1. De melding heeft onder meer betrekking op een uitbreiding van het vloeroppervlak en het verplaatsen van het laad- en lospunt.

2.2. [verzoekster] heeft te kennen gegeven dat het spoedeisend belang voor haar is gelegen in de vrees voor geluidhinder. Zij wijst in dit verband met name op de geluidhinder vanwege het verkeer van en naar de inrichting dat langs haar woning komt. Zij vreest dat dit verkeer zal toenemen, omdat de veranderingen naar haar mening een toename van de productiecapaciteit met zich brengen.

2.3. De voorzitter overweegt, naar aanleiding van het verhandelde ter zitting, dat een deel van de veranderingen pas kan worden doorgevoerd als de nieuwbouw is gerealiseerd. Hiervoor zijn een bouwvergunning en een vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening vereist, die nog niet zijn verleend. Gelet op hetgeen het college ter zitting heeft opgemerkt valt niet te verwachten dat voor het nemen van de beslissing op het bezwaar tegen het bestreden besluit de vereiste bouwvergunning en vrijstelling zijn verleend.

2.4. De melding heeft geen betrekking op een vergroting van de productiecapaciteit.

Ter zitting is door het college en [vergunninghoudster] te kennen gegeven dat het elders laden en lossen tot gevolg heeft dat er minder voertuigen langs de woning van [verzoekster] rijden. Het college heeft verder opgemerkt dat bij de beoordeling van de melding een akoestisch rapport is betrokken dat door [vergunninghoudster] was opgesteld in verband met een eerdere melding, als bedoeld in artikel 8.19, tweede lid, van de Wet milieubeheer. Uit dit rapport, dat nog steeds representatief is wat de verplaatsing van de laad- en losactiviteiten aangaat, volgt volgens het college dat binnen de aan de vergunning verbonden geluidgrenswaarden wordt gebleven. Na het nemen van het bestreden besluit zijn geluidmetingen uitgevoerd waar uit naar voren is gekomen dat aan de geluidgrenswaarden wordt voldaan, aldus het college ter zitting. De voorzitter ziet geen aanleiding aan het door het college omtrent de akoestische onderzoeken gestelde te twijfelen.

Naar aanleiding van het betoog van [verzoekster] dat routeplanners bezoekers van de inrichting nog steeds langs haar woning sturen, heeft [vergunninghoudster] opgemerkt dat zij bij het college heeft gepleit voor het plaatsen van een zodanige bewegwijzering dat voertuigen niet meer langs de woning van [verzoekster] rijden. Het college heeft ter zitting toegezegd hiernaar te kijken.

2.5. De voorzitter ziet gelet op het bovenstaande, bij afweging van de betrokken belangen, geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. L.A.M. van Hamond, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink w.g. Van Hamond

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 juli 2008

446.