Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD6719

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-07-2008
Datum publicatie
09-07-2008
Zaaknummer
200707668/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 augustus 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Leidschendam-Voorburg (hierna: het college) aan [appellant] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het vergroten van een tandartsenpraktijk op het perceel [locatie] (hierna: het perceel) door middel van een uitbouw aan de achtergevel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TBR 2008/159 met annotatie van B. Rademaker
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200707668/1.

Datum uitspraak: 9 juli 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nr. 06/10330 van de rechtbank 's-Gravenhage van 19 september 2007 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Leidschendam-Voorburg.

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 augustus 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Leidschendam-Voorburg (hierna: het college) aan [appellant] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het vergroten van een tandartsenpraktijk op het perceel [locatie] (hierna: het perceel) door middel van een uitbouw aan de achtergevel.

Bij besluit van 21 november 2006 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 19 september 2007, verzonden op 24 september 2007, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 november 2007, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 juni 2008, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door Z. Lagkali, ambtenaar in Dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Op het gedeelte van het perceel waarop de woning is gelegen rust ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Koningin Wilhelminalaan en omgeving" de bestemmingen "Eengezinshuizen Ef". Op het gedeelte van het perceel waarop de uitbouw is voorzien rust de bestemming "Tuin en erf".

Ingevolge artikel II.1, derde lid, van de planvoorschriften is het verboden om de tot "Eengezinshuizen Ef" bestemde gronden en gebouwen te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze in strijd met de bestemming.

Ingevolge artikel 11.9, tweede lid, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, mag op de gronden met de bestemming "Tuin en erf", voor zover zij behoren bij eengezinshuizen en meergezinshuizen en uitsluitend voor zover zij zijn gelegen achter enige naar de weg gekeerde rooilijn, slechts de volgende bebouwing worden opgericht:

ten behoeve van de benedenwoningen en de eengezinshuizen:

a. een bergplaats voor huishoudelijke doeleinden met geen groter oppervlak dan 9 m2 en geen grotere hoogte dan 2.50 meter;

bouwwerken, geen gebouwen zijnde, alsmede plantenkassen, en volières met geen grotere gezamenlijke oppervlakte dan 6 m2 en geen grotere hoogte dan 1.80 meter.

2.2. Bij besluit van 29 oktober 2004 heeft het college vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het vestigen van een tandartspraktijkruimte op de begane grond en het verbouwen van de bovenverdieping van de woning op het perceel. Deze vrijstelling was onder meer vereist, omdat in strijd met het bepaalde in artikel II.1, derde lid, van de planvoorschriften de woonfunctie van de benedenverdieping werd gewijzigd in een functie ten behoeve van een lokale voorziening, te weten een tandartsenpraktijk. Het thans voorliggende bouwplan strekt ertoe dat de tandartspraktijkruimte op de begane grond wordt uitgebreid.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de uitbouw geen bouwvergunningvrij bouwwerk is.

2.4. Ingevolge artikel 43, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet is geen bouwvergunning vereist voor het bouwen dat bij algemene maatregel van bestuur is aangemerkt als van beperkte betekenis, waarbij tevens voorschriften kunnen worden gegeven omtrent het gebruik van het bouwwerk of de standplaats.

Ingevolge artikel 2, aanhef en onder a, van het Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningsplichtige bouwwerken (hierna: Bblb), voor zover hier van belang wordt als bouwen van beperkte betekenis als bedoeld in artikel 43, eerste lid, onderdeel c, aangemerkt het bouwen van een op de grond staande aan- of uitbouw van één bouwlaag aan een bestaande woning of een bestaand woongebouw, die strekt tot vergroting van het woongenot, mits wordt voldaan aan een aantal kenmerken.

2.5. De rechtbank heeft terecht onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 19 april 2006 in zaak nr. 200504984/1 geoordeeld dat de zinsnede "ter vergroting van het woongenot" naar objectieve maatstaven moet worden uitgelegd. In de nota van toelichting behorende bij het Bblb wordt naar aanleiding van de zinsnede "dient ter vergroting van het woongenot" overwogen: "Met dat laatste wordt bedoeld dat het gebruik direct gerelateerd moet zijn aan de woonfunctie. Dat betekent dat er geen gebruik mag worden gerealiseerd dat zich niet verhoudt met de gebruikelijke woonbestemming" (Staatsblad 2002, 410, p. 27). Nu moet worden vastgesteld dat het bouwplan strekt tot het uitbreiden van de op de benedenverdieping te vestigen praktijkruimte, kan niet worden staande gehouden dat de uitbreiding direct verband houdt met de woonfunctie en om die reden zou strekken ter vergroting van het woongenot van de boven de praktijkruimte gelegen woning. In dit verband is van belang dat de verleende vrijstelling niet is beperkt tot het voeren van een praktijk aan huis, zodat de praktijkruimte niet alleen kan worden gebruikt door degene die boven de praktijkruimte woont, maar ook door een elders wonende tandarts. De rechtbank is derhalve terecht tot de slotsom gekomen dat het bouwen van de uitbouw niet kan worden aangemerkt als bouwen, waarvoor op grond van artikel 43, eerste lid, onderdeel c, gelezen in samenhang met artikel 2, aanhef en onder a, van het Bblb geen bouwvergunning is vereist. Het betoog faalt.

2.6. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte zijn betoog omtrent het niet in behandeling nemen van de aanvraag heeft afgewezen. Volgens [appellant] had het college zijn brieven van 13 oktober 2005 en 14 december 2005 moeten beschouwen als een bezwaar tegen het uitblijven van zijn besluit op de aanvraag. Hij stelt dat het college deze brieven had moeten doorzenden naar de bevoegde instantie. Voorts stelt hij zich op het standpunt dat het college ten onrechte heeft nagelaten voorlichting te geven ten aanzien van de rechtsmiddelen die tegen het achterwege blijven van een besluit konden worden aangewend.

2.7. Het betoog faalt. De brief van 13 oktober 2005, voor zover hier van belang, bevat slechts een verzoek om informatie over de in acht te nemen beslistermijnen. Deze brief heeft het college bij brief van 14 november 2005 beantwoord.

Voor zover de brief van 14 december 2005 al moeten worden beschouwd als een bezwaarschrift tegen het uitblijven van een beslissing op de aanvraag, moet worden vastgesteld dat het college daarop zou hebben moeten beslissen. Van doorzending naar een andere instantie op de voet van artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan daarom geen sprake zijn. De rechtbank heeft daarover op goede gronden geen oordeel gegeven, nu bij de rechtbank geen beroep tegen het uitblijven van een beslissing op de thans door [appellant] als bezwaarschrift aangeduide brief van 14 december 2005 aan de orde was, doch slechts een beroep tegen de beslissing op bezwaar van 21 november 2006.

Ten aanzien van de rechtsmiddelenvoorlichting moet worden vastgesteld dat ingevolge artikel 3:45 van de Awb deze bij de bekendmaking van het besluit moet plaatsvinden. In deze bepaling valt niet te lezen dat het college melding moet maken van de mogelijkheid om rechtsmiddelen aan te wenden tegen het uitblijven van een besluit.

2.8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Lodder

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2008

17.