Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD6718

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-07-2008
Datum publicatie
09-07-2008
Zaaknummer
200707576/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 oktober 2006 heeft het college het door [appellanten] (hierna: [appellant]) gemaakte bezwaar tegen het aan de stichting Stichting ASVZ Zuid West (hierna: de ASVZ) gerichte besluit van 9 september 2004 tot verlening van vrijstelling voor het gebruik van de woning gelegen op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) als logeerhuis voor verstandelijk gehandicapte kinderen, ongegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200707576/1.

Datum uitspraak: 9 juli 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nrs. 06/4808 en 06/4831 van de rechtbank Rotterdam van 19 september 2007 in het geding tussen onder meer:

[appellanten]

en

het college van burgemeester en wethouders van Schiedam.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 oktober 2006 heeft het college het door [appellanten] (hierna: [appellant]) gemaakte bezwaar tegen het aan de stichting Stichting ASVZ Zuid West (hierna: de ASVZ) gerichte besluit van 9 september 2004 tot verlening van vrijstelling voor het gebruik van de woning gelegen op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) als logeerhuis voor verstandelijk gehandicapte kinderen, ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 19 september 2007, verzonden op 20 september 2007, heeft de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 oktober 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 november 2007.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft de ASVZ een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 juni 2006, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door mr. R.J. Tiemessen, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is als partij gehoord de ASVZ, vertegenwoordigd door mr. R.J. Kitsz.

2. Overwegingen

2.1. Het gebruik van het woonhuis op het perceel als logeerhuis voor verstandelijk gehandicapte kinderen is in strijd met de ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Woudhoek Noord 1994" (hierna: het bestemmingsplan) op het perceel rustende bestemming "Woningen".

Om het door de ASVZ gevraagde gebruik van de woning als logeerhuis op het perceel niettemin mogelijk te maken heeft het college krachtens artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) vrijstelling van het bestemmingsplan verleend. Vaststaat dat het beoogde gebruik valt binnen de door het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland vastgestelde categorieën van gevallen waarvoor met toepassing van dit artikel vrijstelling kan worden verleend.

2.2. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat door hen niet aannemelijk is gemaakt dat concrete alternatieven bestaan waarmee een gelijkwaardig of beter resultaat kan worden bereikt. [appellant] stelt dat er voldoende vrijstaande woningen met vergelijkbare mogelijkheden als de woning op het perceel in de gemeente Schiedam en omstreken te koop hebben gestaan en dat voldoende bouwkavels beschikbaar waren om daarop een logeerhuis te laten bouwen. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat uit de stukken blijkt dat een andere gelijkwaardige of betere locatie in de gemeente Schiedam dan wel in de naastgelegen gemeenten niet voorhanden is. Door het college is niet aannemelijk gemaakt dat de door de ASVZ gevonden alternatieven niet geschikt waren, aldus [appellant]. Bovendien mag volgens [appellant] uit het beperkte zoekgedrag van het college niet worden geconcludeerd dat er geen alternatieven aanwezig waren.

2.2.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 14 februari 2007 in zaak nr. 200603372/1) dient een college te beslissen omtrent het verlenen van vrijstelling aan een project, zoals daarvoor vrijstelling is aangevraagd. Indien een project op zichzelf aanvaardbaar is, kan het bestaan van alternatieven slechts dan tot het onthouden van medewerking nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren.

2.2.2. De rechtbank heeft ten aanzien van het betoog van [appellant] dat het college onvoldoende rekening heeft gehouden met alternatieve locaties onbestreden geoordeeld dat [appellant] op zich aannemelijk heeft gemaakt dat het logeerhuis, gelet op het intensievere gebruik, bij voorkeur niet gevestigd dient te worden in een rijtjeshuis in een reguliere woonwijk. Ter zitting heeft de ASVZ dit bevestigd. De rechtbank heeft evenwel terecht geoordeeld dat [appellant] daarentegen niet aannemelijk heeft gemaakt dat concrete alternatieven bestaan waarmee een gelijkwaardig of beter resultaat kan worden bereikt. De enkele verwijzing naar de mogelijke beschikbaarheid van vrijstaande woningen en kavels is daartoe onvoldoende. De rechtbank heeft, wat betreft het zoeken naar alternatieven door het college en de ASVZ, voorts terecht overwogen dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat sprake is (geweest) van inspanningen van de zijde van het college en de ASVZ, maar dat een andere gelijkwaardige of betere locatie in de gemeente Schiedam dan wel in naastliggende gemeenten niet voorhanden bleek. Dienaangaande heeft de ASVZ ter zitting uiteengezet dat een woning ten behoeve van een logeerhuis voor gehandicapte kinderen de vereisten binnen- en buitenruimten moet hebben en dat deze voorts in een autoluwe omgeving moet zijn gelegen zonder dat sprake is van een dermate rustige omgeving dat de logés van de buitenwereld zijn afgesloten. Verder spelen de kosten van een woning een rol bij de vraag of sprake is van een goed alternatief, met name gezien de bezettingsgraad van een logeerhuis voor gehandicapten kinderen. Eerdere alternatieven voor het logeerhuis op het perceel zijn volgens de ASVZ vanwege het niet voldoen aan deze vereisten afgevallen. Bovendien heeft zij ter zitting gesteld dat, zodra een gelijkwaardig alternatief voorhanden is, het gebruik van het woonhuis op het perceel als logeerhuis voor gehandicapte kinderen zal worden beëindigd en de woning door de ASVZ zal worden gebruikt voor minder intensieve woonvormen. [appellant] heeft, mede gezien de bij het hoger beroepschrift overgelegde lijst van vrijstaande woningen en kavels, evenmin aannemelijk gemaakt dat concrete alternatieven bestaan die aan genoemde vereisten voldoen. De rechtbank is terecht tot het oordeel gekomen dat het college heeft kunnen besluiten tot inwilliging van de aanvraag zoals deze door de ASVZ is ingediend. Het betoog faalt.

2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. D. Roemers en mr. H. Troostwijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Montagne

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2008

374.