Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD6710

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-07-2008
Datum publicatie
09-07-2008
Zaaknummer
200707614/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 april 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Brummen (hierna: het college) , voor zover thans van belang, afwijzend beslist op het verzoek van [appellant] om handhavend op te treden tegen de zonder bouwvergunning opgerichte bouwwerken op het sportpark De Hazenberg te Brummen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Woningwet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Bouwregelgeving 2008/50
ABkort 2008/285
JOM 2012/789
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200707614/1.

Datum uitspraak: 9 juli 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Brummen,

tegen de uitspraak in zaak nr. 07/101 van de rechtbank Zutphen van 17 september 2007 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Brummen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 april 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Brummen (hierna: het college) , voor zover thans van belang, afwijzend beslist op het verzoek van [appellant] om handhavend op te treden tegen de zonder bouwvergunning opgerichte bouwwerken op het sportpark De Hazenberg te Brummen.

Bij besluit van 11 december 2006 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 17 september 2007, verzonden op 18 september 2007, heeft de rechtbank Zutphen (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 11 december 2006 vernietigd, voor zover het betrekking heeft op de verlichting, hekwerken, dug-outs en ballenvangers en bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het besluit in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 oktober 2007, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 juni 2008, waar [appellant], bijgestaan door mr. H.P.G. Jansen, en het college, vertegenwoordigd door W. Vermeulen en mr. drs. F. Knoef, ambtenaren in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het kunstgrasveld als een bouwwerk moet worden aangemerkt en derhalve voor de aanleg daarvan een bouwvergunning vereist is.

2.1.1. Het begrip bouwwerk is in de Woningwet als zodanig niet omschreven. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 17 oktober 2001 in zaak nr. 200004512/1; Gst. 2002, 7172, 11), kan voor de uitleg ervan aansluiting worden gezocht bij de in de gemeentelijke bouwverordening gegeven definitie. Deze luidt: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren.

2.1.2. Uit de stukken, zoals ter zitting toegelicht, blijkt dat bij de aanleg van het kunstgrasveld is uitgegaan van de bestaande drainage en dat dit veld bestaat uit drie lagen waarbij de basis wordt gevormd door een laag zand van ongeveer 40 cm met daarbovenop een 8 cm dikke laag zand en een 6 cm dikke kunstgras toplaag.

Anders dan [appellant] betoogt, kan de aanleg van dit kunstgrasveld niet op één lijn worden gesteld met het bouwwerk zoals aan de orde was in de uitspraak van de Afdeling van 14 september 2005, no. 200500169/1. In dit geval ontbreekt het constructieve element als bedoeld in de bouwverordening. De rechtbank is dan ook terecht tot het oordeel gekomen dat geen sprake is van een bouwwerk en derhalve voor de aanleg van het kunstgrasveld geen bouwvergunning is vereist. De omstandigheid dat het kunstgrasveld zich in de nabijheid van een monument in de zin van de gemeentelijke monumentenverordening bevindt, maakt dat niet anders.

2.2. Verder betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de doelen als vergunningsvrije bouwwerken in de zin van het Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken (hierna: het Bblb) dienen te worden aangemerkt. De rechtbank heeft, aldus [appellant], ten onrechte een relatie met het Warenwetbesluit attractie- en speeltoestellen (hierna: het Warenwetbesluit) gelegd.

2.2.1. Ingevolge artikel 43, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet, voor zover thans van belang, is in afwijking van artikel 40 van de Woningwet, geen bouwvergunning vereist voor het bouwen dat bij algemene maatregel van bestuur is aangemerkt als van beperkte betekenis.

Ingevolge artikel 3 van het Bblb, voor zover hier van belang, wordt als bouwen van beperkte betekenis als bedoeld in artikel 43, eerste lid, aanhef en onder c, van de wet aangemerkt het bouwen van een speeltoestel, als bedoeld in artikel 1, onder c, van het Warenwetbesluit (voorheen: Besluit veiligheid attractie- en speeltoestellen), mits de hoogte, gemeten vanaf de voet, minder is dan 3 meter.

Ingevolge artikel 1, onder c, van het Warenwetbesluit wordt onder een speeltoestel verstaan een inrichting bestemd voor vermaak en ontspanning waarbij uitsluitend van zwaartekracht of van fysieke kracht van de mens gebruik wordt gemaakt.

2.2.2. Gelet op artikel 3 van het Bblb heeft de rechtbank terecht het Warenwetbesluit betrokken bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een vergunningsvrij bouwwerk in de zin van het Bblb.

Voorts is de rechtbank, onder verwijzing naar de Nota van Toelichting bij artikel 1, onder c, van het Warenwetbesluit op goede gronden tot het oordeel gekomen dat de doelen als speeltoestel in de zin van dit besluit kunnen worden aangemerkt en, nu de hoogte van de doelen gemeten vanaf de voet niet meer dan 3 m bedragen, als een vergunningsvrij bouwwerk in de zin van artikel 3 van het Bblb.

Evenmin kan [appellant] gevolgd worden in zijn betoog dat een lichte bouwvergunning is vereist op grond van artikel 5, eerste lid,

sub a, van het Bblb. De doelen zijn niet in, op, aan of bij een monument als bedoeld in de gemeentelijke monumentenverordening opgericht.

2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.

w.g. Bijloos w.g. Lodder

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2008

328.