Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD6708

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-07-2008
Datum publicatie
09-07-2008
Zaaknummer
200706669/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 augustus 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Sint Anthonis (hierna: het college) aan [vergunninghouder] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een nertsenhouderij op het perceel [locatie] te [plaats], gemeente Sint Anthonis. Dit besluit is op 15 augustus 2007 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.12
Wet milieubeheer 8.12a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2008/2828
Milieurecht Totaal 2008/4612
JOM 2008/619
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200706669/1.

Datum uitspraak: 9 juli 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de stichting Stichting Bont voor Dieren, gevestigd te Amsterdam, en de stichting Stichting VMDLT, gevestigd te Enschede,

appellanten,

en

het college van burgemeester en wethouders van Sint Anthonis,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 augustus 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Sint Anthonis (hierna: het college) aan [vergunninghouder] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een nertsenhouderij op het perceel [locatie] te [plaats], gemeente Sint Anthonis. Dit besluit is op 15 augustus 2007 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben de stichting Stichting Bont voor Dieren en de stichting Stichting VMDLT (hierna: de stichtingen) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 september 2007, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 juni 2008, waar de stichtingen, vertegenwoordigd door [gemachtigden], en het college, vertegenwoordigd door ing. M.P. Beurskens-Voermans en E.P.G.M. Claassen, ambtenaar werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is [vergunninghouder], bijgestaan door [gemachtigde], als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. De stichtingen betogen dat ten onrechte een revisievergunning is aangevraagd en verleend aangezien de voorheen op deze locatie gevestigde geitenhouderij is beëindigd en er thans een nieuw bedrijf wordt opgericht.

2.1.1. Voor de inrichting op het perceel [locatie] te Westerbeek is bij besluit van 28 december 1993 een revisievergunning verleend voor een geiten- en paardenhouderij. Niet is gebleken dat deze vergunning ten tijde van het nemen van het bestreden besluit niet langer in werking was. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 5 juli 2006 in zaak nr. 200507035/1) verzet het stelsel van de Wet milieubeheer zich er niet tegen dat, indien voor een inrichting een vergunning is verleend en de aangevraagde wijzigingen zodanig zijn dat dientengevolge een nieuwe inrichting dan wel een inrichting van een geheel andere aard tot stand komt, in een dergelijke situatie in plaats van een oprichtingsvergunning een revisievergunning wordt verleend.

Het college heeft voor de wijziging in de dierbezetting en de daarmee gepaard gaande aanpassingen in de bedrijfsvoering dan ook een revisievergunning kunnen verlenen. De door de stichtingen gestelde omstandigheid dat de eerdere bedrijfsvoering feitelijk zou zijn beëindigd, maakt dit niet anders. De beroepsgrond faalt.

2.2. De stichtingen betogen dat in strijd met artikel 8.12, tweede lid, van de Wet milieubeheer bij de voorschriften van de vergunning geen emissiegrenswaarden voor stof en zwevende deeltjes (PM10) zijn gesteld. Dit zou de handhaving van de vergunning op dit punt bemoeilijken omdat niet is vast te stellen bij welke emissie van stof en zwevende deeltjes de drijver van de inrichting in overtreding is.

2.2.1. Het college stelt zich op het standpunt dat het niet nodig is om ten aanzien van de door de stichtingen bedoelde stoffen emissiegrenswaarden te stellen omdat die stoffen niet in aanmerkelijke hoeveelheden uit de inrichting vrijkomen. Het college verwijst hiervoor naar het bij de aanvraag gevoegde en bij de beoordeling van de aanvraag betrokken luchtkwaliteitsonderzoek, dat deel uitmaakt van de vergunning.

2.2.2. In artikel 8.12, tweede lid, van de Wet milieubeheer is, voor zover hier van belang, bepaald dat bij de voorschriften van een vergunning emissiegrenswaarden moeten worden gesteld voor stoffen die in aanmerkelijke hoeveelheden uit de inrichting kunnen vrijkomen en die direct of door overdracht tussen water, lucht en bodem nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken.

In artikel 8.12a, eerste lid, is, voor zover hier van belang, bepaald dat aan de vergunning voorschriften kunnen worden verbonden, inhoudende de verplichting tot het treffen van technische maatregelen.

In artikel 8.12a, tweede lid, is bepaald dat wanneer voorschriften als bedoeld in het eerste lid worden gesteld in plaats van emissiegrenswaarden als bedoeld in artikel 8.12, tweede lid, de technische maatregelen tot een gelijkwaardige bescherming van het milieu moeten leiden.

Gezien deze bepalingen, in samenhang gelezen, hoeft geen emissiegrenswaarde te worden gesteld wanneer is voorgeschreven dat technische maatregelen die tot een gelijkwaardige bescherming van het milieu leiden, moeten worden getroffen.

2.2.3. Daargelaten of sprake is van de emissie van aanmerkelijke hoeveelheden als bedoeld in artikel 8.12, tweede lid, van de Wet milieubeheer, is de emissie van stof en zwevende deeltjes in dit geval begrensd met het in de vergunning vastleggen van het aantal te houden dieren, van het toe te passen stalsysteem en van de wijze van dagontmesting en behandeling en bewaring van mest. De hoofdstukken 4 en 5 van de vergunningvoorschriften behelzen daartoe uitvoerige voorschriften. De aanvraag en de daarbij behorende stukken maken, gelet op het aan de vergunning verbonden voorschrift 1.1.2, deel uit van de vergunning. Daarmee zijn aan de vergunning voorschriften inhoudende de verplichting tot het treffen van technische maatregelen in de zin van artikel 8.12a, eerste lid, van de Wet milieubeheer verbonden. Nu dit tot een gelijkwaardige bescherming leidt, behoefden geen emissiegrenswaarden voor stof en zwevende deeltjes te worden gesteld. De beroepsgrond faalt.

2.3. De stichtingen betogen dat uit het akoestisch rapport blijkt dat ter plaatse van de woning Boveneind 3 niet voldaan kan worden aan de voor deze woning in voorschrift 3.1.1 neergelegde grenswaarde voor het langtijdgemiddeld geluidniveau voor de dagperiode van 32 dB(A), omdat de berekende waarde ruim 33 dB(A) zou zijn. Ook voor het overige zou onvoldoende inzichtelijk zijn gemaakt dat aan de gestelde grenswaarden kan worden voldaan. Dit geldt met name voor het ter plaatse van genoemde woning voldoen aan de grenswaarde van 30 dB(A) voor de nachtperiode. De stichtingen voeren hiertoe aan dat in het akoestisch rapport voor het bronniveau van tractoren, welke geluidbron bepalend zou zijn voor de nachtperiode, is uitgegaan van metingen elders en dat daarmee onvoldoende vaststaat dat de in de inrichting gebruikte tractoren aan het berekende geluidniveau voldoen. Ook anderszins zou onvoldoende inzicht zijn geboden in de geluidbelasting door de tractoren. Ten slotte heeft het college volgens de stichtingen nagelaten na te gaan of de inrichting op zon- en feestdagen kan voldoen aan de op grond van voorschrift 3.1.4 geldende lagere grenswaarden.

2.3.1. Ingevolge voorschrift 3.1.2 moet het meten en berekenen van de geluidniveaus en het beoordelen van de meetresultaten plaatsvinden overeenkomstig de Handleiding meten en rekenen industrielawaai (1999). In deze handleiding wordt aanbevolen om voor een standaard eengezinswoning overdag een meethoogte van 1,5 meter boven maaiveld aan te houden en 's avonds en 's nachts een hoogte van 5 meter.

Uit de stukken blijkt dat de woningen Veldweg 1 en Boveneind 3 de dichtst bij de inrichting gelegen woningen van derden zijn. Deze woningen zijn gelegen op een afstand van respectievelijk 295 en 300 meter van de inrichting. Niet in geschil is dat dit standaard eengezinswoningen zijn. In het bij de aanvraag gevoegde akoestisch rapport van Cauberg-Huygen Raadgevende Ingenieurs B.V. van 8 november 2006 (hierna: het akoestisch rapport), dat deel uitmaakt van het bestreden besluit, zijn de geluidimmissies berekend die ter plaatse van deze woningen optreden bij het in werking zijn van de inrichting. Uit de berekeningen volgt dat in de dagperiode, beoordeeld op de voor deze periode gebruikelijke 1,5 meter hoogte, ter plaatse van de woning […] een geluidimmissie zal optreden van 31,5 dB(A). De voor deze periode berekende waarde van 33,1 dB(A) waarop de stichtingen doelen, ziet op een meethoogte van 5 meter. Deze meethoogte is hier niet van toepassing. Er bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat niet aan de gestelde grenswaarde van 32 dB(A) kan worden voldaan.

2.3.2. Voor de berekeningen in het akoestisch rapport is voor het bronniveau van de tractoren gebruik gemaakt van bureau-ervaringscijfers op basis van metingen elders, waarbij een bronniveau van 104 dB is gehanteerd. Niet is gebleken dat dit geen representatief bronniveau is voor de in de inrichting gebruikte tractoren of dat de beoordeling van de bijdrage van de geluidbelasting van de tractoren ten opzichte van de totale berekende geluidimmissie op onjuiste wijze heeft plaatsgevonden.

2.3.3. In voorschrift 3.1.4 is bepaald dat op zondagen en algemeen erkende feestdagen tussen 07.00 en 19.00 uur het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en het maximale geluidniveau gelden van de periode tussen 19.00 uur en 23.00 uur.

Het college heeft dit voorschrift gesteld om de zon- en feestdagen extra te beschermen en het college staat op het standpunt dat deze lagere grenswaarden haalbaar zijn omdat in de aanvraag is vermeld dat de werkzaamheden binnen de inrichting op deze dagen tot een minimum worden beperkt. Ter zitting is dit van de zijde van vergunninghouder nogmaals bevestigd dat de belangrijkste geluidveroorzakende activiteit het voeren van de dieren betreft. Uit de door het college in het verweerschrift gemaakte berekening blijkt dat daarmee aan de gestelde lagere grenswaarden kan worden voldaan. De Afdeling ziet geen grond om de gemaakte berekening onjuist te achten.

De beroepsgronden falen.

2.4. Het beroep is ongegrond.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, voorzitter, en mr. J.G.C. Wiebenga en mr. W. Sorgdrager, leden, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink w.g. Sparreboom

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2008

159.