Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD6705

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-07-2008
Datum publicatie
09-07-2008
Zaaknummer
200803572/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 januari 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Ridderkerk (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] vrijstelling verleend voor het realiseren van 94 woningen met bijbehorende voorzieningen op het perceel, kadastraal bekend gemeente Ridderkerk, sectie G, nr. 02805 (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200803572/2.

Datum uitspraak: 3 juli 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:

de vereniging Vereniging Beter Bolnes, gevestigd te Ridderkerk, en anderen,

verzoekers,

tegen de uitspraak in zaken nrs. 08/883 en 07/4635 van de rechtbank Rotterdam van 8 april 2008 in het geding tussen:

de vereniging Vereniging Beter Bolnes en anderen

en

het college van burgemeester en wethouders van Ridderkerk.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 januari 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Ridderkerk (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] vrijstelling verleend voor het realiseren van 94 woningen met bijbehorende voorzieningen op het perceel, kadastraal bekend gemeente Ridderkerk, sectie G, nr. 02805 (hierna: het perceel).

Bij besluit van 8 februari 2007 heeft het college aan vergunninghoudster bouwvergunning verleend voor het realiseren van 94 woningen op het perceel.

Bij besluit van 7 november 2007 heeft het college de door de vereniging Vereniging Beter Bolnes en anderen (hierna: de vereniging en anderen) tegen voornoemde besluiten gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 8 april 2008, verzonden op dezelfde datum, heeft de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) het door de vereniging en anderen daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak hebben de vereniging en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 mei 2008, hoger beroep ingesteld.

Bij deze brief hebben de vereniging en anderen de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 26 juni 2008, waar voor de vereniging en anderen in persoon zijn verschenen ir. L. Kranendonk, J. Wijnings en R. Wijnings, bijgestaan door mr. J. van Broekhuize, advocaat te Ridderkerk, en het college, vertegenwoordigd door mr. P.L. van Pagee, ambtenaar in dienst van de gemeente, en drs. M. van der Meulen, deskundige, is verschenen.

Voorts is als partij gehoord vergunninghoudster, vertegenwoordigd door mr. D.N.J. van Horssen en [gemachtigde].

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Het verzoek strekt ertoe de door het college genomen besluiten van 23 januari 2007, 8 februari 2007 en 7 november 2007 bij wijze van voorlopige voorziening te schorsen, nu volgens de vereniging en anderen met de uitvoering van het bouwplan een aanvang is gemaakt.

2.3. Het verzoek om voorlopige voorziening ziet blijkens het verhandelde ter zitting uitsluitend op de gevolgen van het bouwplan voor de luchtkwaliteit. De vereniging en anderen voeren daartoe - kort weergegeven - aan dat gerede twijfel bestaat over de juistheid en de volledigheid van het in opdracht van het college uitgevoerde onderzoek naar de luchtkwaliteit ter plaatse van het perceel.

2.4. Aan de besluiten van 23 januari 2007, 8 februari 2007 en 7 november 2007 ligt ten grondslag het onderzoek naar de luchtkwaliteit "Woningbouwontwikkeling Leklaan Bolnes" van het adviesbureau voor Ruimtelijke Beleid, Ontwikkeling en Inrichting (hierna: het RBOI) van 4 mei 2006, waarbij toepassing is gegeven aan het rekenmodel CAR II versie 5.0. Uit dit onderzoek volgt dat aan het Besluit luchtkwaliteit 2005 (hierna: het Blk) wordt voldaan.

Eerst ter zitting van de voorzitter hebben de vereniging en anderen een berekening overgelegd van de luchtkwaliteit ter plaatse van het project voor het referentiejaar 2010 met toepassing van het rekenmodel CAR II, versie 5.1, waaruit volgt dat de jaargemiddelde concentratie stikstofdioxide door de ontwikkeling met realisatie van het bouwplan toeneemt ten opzichte van de autonome ontwikkeling.

Gezien het verloop van de door de vereniging en anderen tegen het vergunnen van het bouwplan gevoerde procedure valt niet in te zien waarom zij deze berekening niet eerder in die procedure hebben kunnen overleggen. Daar komt bij dat de eerst thans overgelegde berekening geen uitsluitsel biedt over een mogelijke verslechtering van de luchtkwaliteit ten gevolge van het bouwplan. Zoals ook het college ter zitting heeft geconstateerd, is in de door de vereniging en anderen overgelegde berekening niet van dezelfde invoergegevens uitgegaan als in het onderzoek van het RBOI. In de overgelegde berekening zijn de invoergegevens ten aanzien van de voertuigverdeling 'fractie middel zwaar' en 'fractie zwaar' ten opzichte van de in het onderzoek van het RBOI gehanteerde gegevens verwisseld, hetgeen een relevante andere uitkomst in de berekening van de jaargemiddelde concentratie stikstof tot gevolg kan hebben. Voorts komt aan de "Rapportage luchtkwaliteit 2006" van de gemeente Ridderkerk van 5 juni 2007, die is opgesteld in het kader van artikel 26 van het Blk, geen betekenis toe, nu deze rapportage geen inzicht biedt in de gevolgen van de verwezenlijking van het onderhavige plan voor de luchtkwaliteit voor de jaren waarop het plan betrekking heeft.

Gelet op het vorenstaande bestaat thans onvoldoende grond voor twijfel aan de juistheid van de conclusie van het RBOI dat het bouwplan niet in strijd is met het Blk. In aanmerking genomen de belangen van vergunninghoudster bij voortzetting van de inmiddels aangevangen bouwactiviteiten, gewogen in het licht van het stadium van de procedure waarin de alternatieve berekening is overgelegd, bestaat geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom w.g. Montagne

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2008

374.