Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD6685

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-07-2008
Datum publicatie
09-07-2008
Zaaknummer
200803837/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 mei 2008 is [appellant] (hierna: de vreemdeling) in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 50
Vreemdelingenwet 2000 59
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2008/310 met annotatie van A.M. van Kalmthout
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200803837/1.

Datum uitspraak: 1 juli 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant],

tegen de uitspraak in zaak nr. 08/16340 van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Almelo, van 20 mei 2008 in het geding tussen:

[appellant],

en

de staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 mei 2008 is [appellant] (hierna: de vreemdeling) in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 20 mei 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Almelo (hierna: de rechtbank), het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 27 mei 2008, hoger beroep ingesteld. Tevens heeft hij daarbij de Afdeling verzocht hem schadevergoeding toe te kennen. Deze brief is aangehecht.

De staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 juni 2008, waar de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. J.W. van de Wege, advocaat te Eindhoven, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. M.P. Bouma, ambtenaar in dienst van het Ministerie van Justitie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Bij brief van 6 mei 2008 heeft de staatssecretaris de Korpschef van de Politieregio Brabant Zuid-Oost een aanwijzing gegeven in de zin van artikel 48, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) met betrekking tot de groep Chinese vreemdelingen die zich kort voor 1 april 2008 in Ter Apel heeft gemeld voor het indienen van een asielverzoek. Volgens deze aanwijzing zal het bestaan van een bewaringsgrond in beginsel kunnen worden aangenomen ten aanzien van personen van wie is vastgesteld dat zij zich eerder aan het vreemdelingentoezicht hebben onttrokken en vreemdelingen bij wie sprake is van antecedenten in het kader van de openbare orde. In die gevallen is niet van belang of de asielaanvraag reeds is afgewezen en kan inbewaringstelling zo spoedig mogelijk plaatsvinden, zij het dat wel steeds een individuele afweging dient te worden gemaakt.

2.2. In de eerste grief klaagt de vreemdeling, samengevat weergegeven, dat de rechtbank, door te overwegen dat ten aanzien van hem een redelijk vermoeden van illegaal verblijf bestond en zijn staandehouding op de juiste wijze heeft plaatsgevonden, niet heeft onderkend dat in het proces-verbaal van staandehouding, overbrenging en ophouding van 7 mei 2008 weliswaar wordt vermeld dat uit de systemen ambtshalve bekend was dat hij eerder met de politie in aanraking is gekomen en antecedenten heeft dan wel zich eerder aan het toezicht heeft onttrokken, maar dat uit de door de staatssecretaris overgelegde stukken niet blijkt of hij daadwerkelijk aan deze criteria voldoet, en zo ja, welk van de twee criteria op hem van toepassing is. De vreemdeling betoogt dat in de stukken ook overigens geen concrete gegevens zijn vermeld waaruit kan worden geconcludeerd dat hij illegaal in Nederland verbleef. De enkele stelling van de staatssecretaris dat de naam van de vreemdeling in een niet door de staatssecretaris overgelegd Excel-bestand was opgenomen en uit de systemen bekend was dat hij eerder met de politie in aanraking is gekomen en antecedenten heeft dan wel zich eerder aan het toezicht heeft onttrokken, kan daaraan niet afdoen. Nu niet of onvoldoende is gebleken van een redelijk vermoeden van illegaal verblijf, was de staandehouding onrechtmatig, aldus de vreemdeling.

2.2.1. In het op ambtseed onderscheidenlijk ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal van staandehouding, overbrenging en ophouding van 7 mei 2008 is onder meer vermeld dat na overleg met de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: de IND), de Dienst Terugkeer & Vertrek, het Centraal Orgaan Opvang Asielzoekers en de Vreemdelingenpolitie is bepaald dat op 7 mei 2008 een actie zou worden gehouden in de Tijdelijke Noodvoorziening (hierna: de TNV) te Eindhoven, teneinde een vooraf bepaald aantal personen staande te houden waarvan bekend was dat zij behoorden tot de doelgroep van Chinezen die zich kort voor 1 april 2008 massaal in Ter Apel hadden gemeld. Ook de vreemdeling behoorde tot deze groep. Het was de verbalisanten voorts ambtshalve bekend dat uit de registratiesystemen was gebleken dat de vreemdeling eerder met de politie in aanraking was gekomen en antecedenten had dan wel zich eerder aan het toezicht had onttrokken. Door de IND was voorafgaand aan de actiedag aan de Vreemdelingenpolitie Brabant Zuid-Oost een Excel-bestand aangeleverd met daarin een lijst van namen en de bijbehorende V-nummers van vreemdelingen uit de voornoemde doelgroep. Aan de hand van de gegevens van de Dienst Nationale Recherche Informatie was gebleken dat er van deze personen een dactyloscopisch signalement was opgenomen in de bestanden van deze dienst. Hun vingerafdrukken waren eerder afgenomen in het kader van een door hen gepleegd misdrijf dan wel het toezicht op de vreemdelingen.

2.2.2. Uit het zich in het dossier bevindende uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Assen, van 15 november 2007 in zaak nr. 07/40166 blijkt dat de vreemdeling van 18 februari 2007 tot 15 november 2007 in vreemdelingenbewaring heeft verbleven en geen criminele antecedenten had. Anders dan de vreemdeling stelt, blijkt uit de stukken derhalve dat hij zich eerder aan het toezicht heeft onttrokken en dat hij voldoet aan de voorwaarden van het aanwijzingsbesluit.

Voorts kan de vreemdeling evenmin worden gevolgd in zijn betoog dat het proces-verbaal van staandehouding, overbrenging en ophouding van 7 mei 2008 niet inzichtelijk maakt op grond van welke feiten en omstandigheden een, naar objectieve maatstaven gemeten, redelijk vermoeden van illegaal verblijf ten aanzien van hem is gerezen. Hieruit blijkt genoegzaam dat de vreemdeling behoorde tot de groep Chinese vreemdelingen die zich kort voor 1 april 2008 in Ter Apel heeft vermeld, naar aanleiding van, zoals ter zitting door de staatssecretaris toegelicht, geruchten over een op handen zijnde pardonregeling, en zich in de TNV te Eindhoven bevond. Dat hij zich in de TNV bevond, in afwachting van het indienen van een aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, rechtvaardigt het vermoeden dat hij illegaal in Nederland verblijft. De grief faalt.

2.3. In de zesde grief klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij niet aan de hand van stukken heeft onderbouwd of anderszins aannemelijk heeft gemaakt dat hij pogingen heeft ondernomen om in het bezit te komen van een document, dat niet is gebleken dat hij niet aan (kopieën van) documenten kan komen die zijn identiteit kunnen aantonen, dat de enkele omstandigheid dat in China een andere persoonsregistratie wordt gehanteerd dan hier te lande niet meebrengt dat op voorhand kan worden gezegd dat hij ook niet anders te identificeren is en dat hij niet kan worden gevolgd in zijn betoog dat er geen zicht op uitzetting bestaat.

Daartoe betoogt de vreemdeling, samengevat weergegeven, dat de rechtbank niet heeft onderkend dat uit de stukken niet blijkt dat hij medewerking heeft geweigerd. Omdat de staatssecretaris niet aannemelijk heeft gemaakt dat de vreemdeling over een paspoort beschikt, dient het ervoor te worden gehouden dat hij ongedocumenteerd is. Onder verwijzing naar een in Migrantenrecht (jaargang 2007, nr. 8) verschenen artikel over persoonsregistratie in China en zicht op uitzetting, stelt de vreemdeling dat het voor hem niet mogelijk is identiteitsdocumenten op te vragen. Hij wijst erop dat inmiddels is gebleken dat de Chinese autoriteiten in het jaar 2007 geen laissez-passer hebben verstrekt aan ongedocumenteerde Chinese vreemdelingen en dat geenszins is gebleken dat dit wordt veroorzaakt doordat geen enkele Chinese vreemdeling aan zijn vertrek heeft willen meewerken. Nu bovendien uit het hiervoor genoemde artikel blijkt dat het, zelfs indien vreemdelingen meewerken, vaak onmogelijk is hen te traceren, is de kans verwaarloosbaar dat de Chinese autoriteiten de vreemdeling een reisdocument zullen verstrekken. De rechtbank heeft derhalve ten onrechte geoordeeld dat voldoende zicht op uitzetting naar China bestaat, aldus de vreemdeling.

2.4. Vaststaat dat de Chinese autoriteiten in het jaar 2007 geen laissez-passer ongedocumenteerde aan Chinese vreemdelingen hebben verstrekt. Door te verwijzen naar de uitspraak van de Afdeling van 16 april 2007 in zaak nr. 200701752/1 (JV 2007/242), waarin sprake is van een gering aantal door de Chinese autoriteiten verstrekte reisdocumenten in het jaar 2006, is de rechtbank hieraan ten onrechte voorbijgegaan.

Dit neemt niet weg dat op de vreemdeling de rechtsplicht rust om Nederland te verlaten. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld in de uitspraak van 13 juni 2008 in zaak nr. 200803407/1), brengt dit mee dat van hem kan worden verwacht dat hij actieve en volledige medewerking verleent aan het verkrijgen van concrete en verifieerbare gegevens, waaronder documenten, die nodig zijn om de beoogde uitzetting te bewerkstelligen en dat hij ook zelf de nodige, controleerbare inspanningen verricht om dergelijke gegevens te verkrijgen.

Uit de stukken blijkt niet dat de vreemdeling sinds zijn inbewaringstelling zodanige inspanningen heeft verricht. Voorts heeft hij geen bijzondere omstandigheden aangevoerd op grond waarvan geoordeeld dient te worden dat hij niet in staat kan worden geacht de hiervoor bedoelde concrete en verifieerbare gegevens te verschaffen. De gestelde omstandigheden dat veel Chinezen niet over een paspoort, identiteitskaart of hukou-registratie beschikken en dat de mogelijkheid bestaat dat personen

- onder meer na vertrek uit China - uit de hukou-registers worden geschrapt, zijn daartoe onvoldoende, reeds omdat de vreemdeling geen concrete feiten en omstandigheden heeft aangevoerd waaruit blijkt dat deze omstandigheden zich, voor zover aanwezig, in zijn geval voordoen.

Ter zitting van de Afdeling heeft de staatssecretaris verklaard dat de Chinese ambassade hier te lande de dossiers met de verzoeken om afgifte van een vervangend reisdocument voorlegt aan de autoriteiten in Peking en dat de afhandeling van die verzoeken moet worden verbeterd. Dit laatste gebeurt doordat de afhandeling van verzoeken om afgifte van een vervangend reisdocument op diplomatiek niveau ter sprake is gebracht bij de Chinese autoriteiten, zodat op dit moment de maximale inspanning wordt geleverd om te komen tot de terugname door China van eigen onderdanen. De staatssecretaris heeft hierover op 9 mei 2008 met de meest betrokken bewindspersonen overleg gevoerd en het onderwerp is eveneens aan de orde gesteld tijdens een recent bezoek van de vice-minister van Justitie van China aan Nederland. Ook de vaste Kamercommissie heeft op 28 mei 2008 te kennen gegeven hierover met de Chinese ambassadeur in bespreking te willen. Weliswaar hebben deze activiteiten nog niet tot een concrete toezegging van de zijde van de Chinese autoriteiten geleid over de afgifte van laissez-passer, maar de inspanningen van de Nederlandse bewindspersonen tot op heden en in de komende periode zullen, aldus de staatssecretaris, naar verwachting tot een veranderde houding leiden.

Onder deze omstandigheden bestaat, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, geen grond voor het oordeel dat uitzetting van de vreemdeling binnen een redelijke termijn niet tot de mogelijkheden behoort.

De grief faalt.

2.5. Hetgeen overigens in het hoger-beroepschrift is aangevoerd en voldoet aan het bepaalde in artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vw 2000, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet, met dat oordeel volstaan.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd, zij het met verbetering van de gronden waarop deze rust.

2.7. Het verzoek om schadevergoeding dient reeds hierom te worden afgewezen.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. A.W.M. Bijloos, leden, in tegenwoordigheid van mr. C.E.C.M. van Roosmalen, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink w.g. Van Roosmalen

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2008

53-551.