Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD6684

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-06-2008
Datum publicatie
09-07-2008
Zaaknummer
200803381/1 en 200803381/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 juli 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Rijswijk (hierna: het college) aan de gemeente Rijswijk een vergunning verleend voor het kappen van 44 linden aan de Van Ostadelaan te Rijswijk (hierna: de linden).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2008/362
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200803381/1 en 200803381/2.

Datum uitspraak: 30 juni 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:

[appellanten], allen wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nr. 07/1108 van de rechtbank 's-Gravenhage van 1 april 2008 in het geding tussen:

[appellanten]

en

het college van burgemeester en wethouders van Rijswijk.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 juli 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Rijswijk (hierna: het college) aan de gemeente Rijswijk een vergunning verleend voor het kappen van 44 linden aan de Van Ostadelaan te Rijswijk (hierna: de linden).

Bij besluit van 23 januari 2007 heeft het college het door 74 bewoners van de Van Ostadelaan te Rijswijk (hierna ook: de bewoners), waaronder [appellanten], daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Het college heeft bij ongedateerd besluit, bekendgemaakt op 28 juni 2007, de termijn waarbinnen van de kapvergunning gebruik mag worden gemaakt verlengd met een jaar.

Bij uitspraak van 1 april 2008, verzonden op 7 april 2008, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het door [appellanten] tegen het besluit van 23 januari 2007 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 9 mei 2008, hoger beroep ingesteld. Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, hebben [appellanten] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 19 juni 2008, waar [appellanten], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door mr. V.M.M. van Oudenhoven, bijgestaan door ing. W. Duijs, beiden ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.2. De op 27 juli 2006 verleende kapvergunning was één jaar geldig. Bij ongedateerd besluit, bekendgemaakt op 28 juni 2007, heeft het college de kapvergunning met één jaar verlengd. Dit besluit wordt, gelet op artikel 6:24, eerste lid, van de Awb, gelezen in samenhang met de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, van de Awb, geacht eveneens onderwerp te zijn van dit geding.

2.3. Ingevolge artikel 4.5.2, eerste lid, van de Algemene plaatselijke verordening van de gemeente Rijswijk is het verboden zonder vergunning van het college houtopstand te vellen of te doen vellen.

Ingevolge artikel 4.5.3a kan de vergunning in elk geval worden geweigerd op grond van:

a. de natuurwaarde van de houtopstand;

b. de landschappelijke waarde van de houtopstand;

c. de waarde van de houtopstand voor stads- en dorpsschoon;

d. de beeldbepalende waarde van de houtopstand;

e. de cultuurhistorische waarde van de houtopstand;

f. de waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand.

2.4. Op 24 mei 2005 heeft de raad van de gemeente Rijswijk het Bomenbeleid Oud-Rijswijk en omgeving (hierna: het Bomenbeleidsplan) vastgesteld. Het uitgangspunt hiervan is het behouden en waar nodig versterken van de lindenstructuur in Oud-Rijswijk en omgeving. In het Bomenbeleidsplan is voor een zestal omgevingstypen specifiek beleid ontwikkeld. Het beleid voor boomrijke straten, waaronder de Van Ostadelaan, is volgens dit plan erop gericht om in geval van bestaande overlastsituaties de afstand in de rij kritisch te bekijken of een andere boomsoort te kiezen.

2.5. In maart 2006 is van gemeentewege een enquête verzonden aan alle bewoners van de Van Ostadelaan, met betrekking tot de linden. Bij brief van 22 juni 2006 heeft het college de bewoners geïnformeerd over uitkomsten van de enquête. Uit deze brief blijkt dat 71 van de 140 verspreide enquêtes zijn geretourneerd. Uit de geretourneerde enquêtes blijkt dat 37 bewoners (52%) voor het kappen en vervangen van de bestaande linden zijn, dat 12 bewoners (17%) voor het om en om verwijderen zijn en dat 20 bewoners (28%) tegen het kappen van de linden zijn. Twee bewoners (3%) hebben geen keuze gemaakt. Volgens het college blijkt hieruit dat een meerderheid van de bewoners voorstander is van het kappen van de linden. Het college heeft de uitslag van deze enquête mede ten grondslag gelegd aan het besluit om een kapvergunning te verlenen. Het college heeft het besluit verder met name gebaseerd op het Bomenbeleidsplan. Bij besluit van 23 januari 2007 heeft het college dit besluit gehandhaafd.

2.6. [appellanten], die woonachtig zijn aan de Van Ostadelaan, betogen dat de rechtbank, door te overwegen dat als het gaat om de mening van de bewoners, de belangrijkste bron van informatie de gemeentelijke enquête van maart 2006 is, ten onrechte nauwelijks betekenis heeft toegekend aan de 74 bezwaren die door bewoners zijn gemaakt tegen het besluit van 27 juli 2006. Volgens [appellanten] blijkt uit het aantal bezwaarmakers dat een meerderheid van de bewoners tegen de kap van de linden is.

2.6.1. Bij brief van 17 augustus 2006 is een bezwaarschrift ingediend tegen het besluit van 27 juli 2006. De gronden van bezwaar zijn aangevuld bij brief van 12 september 2006, die, door middel van handtekeningenlijsten, is ondertekend door 74 bewoners. In deze brief wordt onder meer de conclusie die het college heeft getrokken uit de uitkomsten van de door de van gemeentewege gehouden enquête in twijfel getrokken. Volgens de bezwaarmakers volgt uit het aantal ondertekeningen van de gronden van bezwaar, dat een meerderheid van de bewoners tegen de kap is.

In het besluit op bezwaar geeft het college er geen blijk van de omstandigheid dat een meerderheid van de bewoners bezwaar heeft gemaakt, bij de heroverweging van het besluit van 27 juli 2006 te hebben betrokken. Aan het aantal bezwaarden kan in dit geval niet worden voorbij gegaan, nu het college ter zitting heeft verklaard dat indien uit de uitslag van de enquête zou zijn gebleken dat een meerderheid tegen het kappen van de linden is, het college de kapvergunning zou hebben geweigerd. Gelet op het voorgaande had het op de weg van het college gelegen in het kader van de heroverweging op de voet van artikel 7:11 van de Awb van het besluit van 27 juli 2006 nader te onderzoeken of de uitslag van de enquête nog wel aan de kapvergunning ten grondslag kon worden gelegd.

2.7. Gelet hierop is de voorzitter van oordeel dat het besluit op bezwaar onzorgvuldig is voorbereid en niet berust op een volledige heroverweging en een deugdelijke motivering en derhalve in strijd met de artikelen 3:2, 7:11, eerste lid, en 7:12, eerste lid, van de Awb is genomen. Nu de rechtbank daaraan ten onrechte voorbij is gegaan, slaagt het betoog.

2.8. Het hoger beroep en het beroep van rechtswege tegen het besluit, bekend gemaakt op 28 juni 2007, zijn gegrond. De overige gronden behoeven geen bespreking meer. De aangevallen uitspraak en het op 28 juni 2007 bekendgemaakte besluit dienen te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de voorzitter het beroep tegen het besluit van 23 januari 2007 van het college alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt eveneens voor vernietiging in aanmerking. Het college dient een nieuw besluit te nemen op de ingediende bezwaren met inachtneming van deze uitspraak.

2.9. Ter zitting bij de voorzitter heeft de gemeente verklaard niet voor december 2008 te zullen aanvangen met de kap van de linden, hetgeen in ieder geval niet mogelijk is zonder een nieuw besluit op bezwaar. Daarom bestaat thans geen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen.

2.10. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 1 april 2008 in zaak nr. 07/1108;

III. verklaart het beroep tegen het ongedateerde op 28 juni 2007 bekendgemaakte besluit gegrond;

IV. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

V. vernietigt het besluit van het college van 23 januari 2007, kenmerk 06.0010423/DGZ en het ongedateerde op 28 juni 2007 bekendgemaakte besluit van het college, kenmerk 07.013547/DGZ-V&H;

VI. wijst het verzoek af;

VII. gelast dat de gemeente Rijswijk aan [appellanten] het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 359,00 (zegge: driehonderdnegenenvijftig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak w.g. Bindels

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2008

85-502.