Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD6683

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-06-2008
Datum publicatie
09-07-2008
Zaaknummer
200803156/1 en 200803156/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 juli 2004 heeft het dagelijks bestuur van het waterschap Brabantse Delta (hierna: het dagelijks bestuur) besloten een vergunning als bedoeld in de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, omschreven als de vergunning van 21 november 1994, kenmerk 30616, betreffende TTCS-Moerdijk, gelegen aan de Middenweg 6 te Moerdijk, in te trekken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200803156/1 en 200803156/2.

Datum uitspraak: 30 juni 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het beroep, in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [plaats],

en

het dagelijks bestuur van het waterschap Brabantse Delta,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 8 juli 2004 heeft het dagelijks bestuur van het waterschap Brabantse Delta (hierna: het dagelijks bestuur) besloten een vergunning als bedoeld in de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, omschreven als de vergunning van 21 november 1994, kenmerk 30616, betreffende TTCS-Moerdijk, gelegen aan de Middenweg 6 te Moerdijk, in te trekken.

Tegen dit besluit heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 april 2008, beroep ingesteld.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, heeft [appellante] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 20 mei 2008, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. F.P.J.M. Otten, advocaat te Utrecht, mr. M.P. Grootkerk en ing. M.M. van der Steen, en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door drs. L.H.L.M. Weterings en A.A.A.J. Vrolijk, zijn verschenen.

Partijen hebben ter zitting toestemming gegeven onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2. Overwegingen

2.1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.2. Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat de bij deze wetten doorgevoerde wetswijzigingen niet van toepassing zijn op het geding.

2.3. [appellante] betoogt dat bij het bestreden besluit, dat haar pas recent bekend zou zijn geworden, ten onrechte een voor haar geldende vergunning als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren is ingetrokken. In dit verband voert zij aan dat de ingetrokken vergunning de vergunning betreft van 21 november 1994, kenmerk 30616, die is verleend aan Nedlloyd Road Cargo B.V., waarvan [appellante] als rechtsopvolgster moet worden aangemerkt.

2.4. Ingevolge artikel 3:40 van de Awb treedt een besluit niet in werking voordat het is bekendgemaakt.

Ingevolge artikel 3:41 van deze wet, voor zover hier van belang, geschiedt de bekendmaking van besluiten die aan een of meer belanghebbenden zijn gericht door toezending of uitreiking aan hen.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, in samenhang het vijfde lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (oud), voor zover hier van belang, is artikel 8.20 van de Wet milieubeheer van overeenkomstige toepassing met betrekking tot een vergunning als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren.

Ingevolge artikel 8.20 van de Wet milieubeheer, voor zover hier van belang, geldt een voor een inrichting verleende vergunning voor ieder die de inrichting drijft.

2.5. Bij besluit van 21 november 1994, kenmerk 30616, heeft het dagelijks bestuur van het hoogheemraadschap West-Brabant aan Nedlloyd Road Cargo B.V. een vergunning als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren verleend. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting is aannemelijk geworden dat [appellante] ten tijde van het bestreden besluit moest worden aangemerkt als houdster van die vergunning. Dit brengt mee dat, nu bij het bestreden besluit is besloten een vergunning in te trekken, omschreven als, voor zover hier van belang, de vergunning van 21 november 1994, kenmerk 30616, [appellante] behoort tot de belanghebbenden aan wie het bestreden besluit is gericht.

2.6. Ter zitting is komen vast te staan dat het bestreden besluit niet aan [appellante] is toegezonden of uitgereikt. Voorts is komen vast te staan dat het dagelijks bestuur het bestreden besluit — dat volgens hem betrekking heeft op een niet bestaande en dus ook niet intrekbare vergunning van 21 november 1994, kenmerk 30616, verleend aan TTCS-Moerdijk — ook niet meer aan [appellante] zal toezenden of uitreiken.

2.7. Nu het bestreden besluit niet op de voorgeschreven wijze is bekend gemaakt en ook niet zal worden bekend gemaakt, is het besluit gelet op artikel 3:40 van de Awb niet in werking getreden en zal het ook niet in werking treden.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 5 juni 2002 in zaak nr. 200106139/1, AB 2002, 349), kan procesbelang bestaan indien appellant stelt schade te hebben geleden ten gevolge van bestuurlijke besluitvorming. Daartoe is vereist dat tot op zekere hoogte aannemelijk wordt gemaakt dat dergelijke schade daadwerkelijk is geleden als gevolg van het bestreden besluit. [appellante] heeft dit niet gedaan. Ook anderszins is niet gebleken dat [appellante] niettemin belang heeft bij een beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit.

2.8. Het beroep is niet-ontvankelijk.

2.9. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep niet-ontvankelijk;

II. wijst het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Kuipers, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll w.g. Kuipers

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2008

271-539.