Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD6152

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-06-2008
Datum publicatie
03-07-2008
Zaaknummer
200802518/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vreemdelingenbewaring / in dit geval niet zonder meer mogen uitgaan van mededeling staatssecretaris / zicht op uitzetting naar Noord-Irak

Niet in geschil is dat aan de twee ter zitting van de rechtbank door de staatssecretaris gestelde geslaagde verwijderingen een periode van ruim een jaar vooraf is gegaan waarin geen uitzetting naar Irak heeft plaatsgevonden. Nu de vreemdeling voorts ter zitting van de rechtbank heeft betoogd dat in de twee door de staatssecretaris genoemde gevallen geen sprake kan zijn geweest van gedwongen uitzetting, had de rechtbank gelet op hetgeen de vreemdeling naar voren heeft gebracht haar oordeel niet zonder de staatssecretaris te verzoeken zijn mededeling over uitzetting naar Irak ter zitting nader te onderbouwen, op deze enkele mededeling mogen baseren. De grief slaagt. [..]

In zijn brief van 29 mei 2008 heeft de staatssecretaris, samengevat weergegeven en voor zover thans van belang, aangegeven dat gedwongen uitzetting naar Irak mogelijk is met behulp van een EU-staat. Met de Iraakse autoriteiten is overeengekomen dat voor de feitelijke terugkeer van Irakezen gebruik kan worden gemaakt van zo'n EU-staat. In dit verband wijst de staatssecretaris erop dat sinds een week lijnvluchten worden uitgevoerd tussen Eindhoven Airport en Arbil (Noord-Irak). De staatssecretaris is voornemens de vreemdeling, die geboren is in [geboorteplaats], te verwijderen naar Noord-Irak. In voormelde brief van 29 mei 2008 bericht de staatssecretaris verder dat op 17 maart 2008 een vreemdeling naar Arbil is uitgezet op grond van een verlopen laissez-passer en een EU-staat.

Gelet op het vorengaande bestaat vooralsnog geen grond voor het oordeel dat bij voorbaat moet worden aangenomen dat de afspraken met de Iraakse autoriteiten in het geval van de vreemdeling niet binnen een redelijke termijn tot het door de staatssecretaris gewenste resultaat zullen leiden. De Afdeling ziet bij deze stand van zaken geen grond voor het oordeel dat zicht op uitzetting van de vreemdeling binnen een redelijke termijn ontbreekt.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 59
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2008/306
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200802518/1.

Datum uitspraak: 24 juni 2008

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[appellant],

appellant,

tegen de uitspraak in zaak nr. 08/9111 van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Roermond, van 1 april 2008 in het geding tussen:

[appellant]

en

de staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 maart 2008 is [appellant] (hierna: de vreemdeling) in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 1 april 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Roermond (hierna: de rechtbank), het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 8 april 2008, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 27 mei 2008 heeft de Afdeling de staatssecretaris vragen gesteld. De staatssecretaris heeft hierop bij brieven, bij de Raad van State binnengekomen op 29 mei 2008 en 2 juni 2008, geantwoord. De vreemdeling heeft hierop bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 3 juni 2008, gereageerd.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. In de enige grief klaagt de vreemdeling, samengevat weergegeven, dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zicht op zijn uitzetting naar Irak niet ontbreekt, omdat in week twaalf en dertien van het jaar 2008 twee vreemdelingen gedwongen zijn uitgezet naar Basra en Arbil in Irak, de aanvraag om verlening van een laissez-passer ten behoeve van de vreemdeling nog in behandeling is en er vooralsnog geen aanknopingspunten zijn dat de Iraakse autoriteiten geen laissez-passer zullen verstrekken. De vreemdeling betoogt dat de rechtbank daarbij ten onrechte zonder meer is uitgegaan van een terzake door de staatssecretaris gedane mededeling zonder van hem te vergen zijn verklaring te onderbouwen. Daartoe bestond volgens de vreemdeling te meer aanleiding nu uit een uitspraak van nevenzittingsplaats Den Bosch van 10 januari 2008 kan worden afgeleid dat, ondanks de hernieuwde besprekingen met de Iraakse autoriteiten, sinds januari 2007 geen uitzettingen naar Irak hebben plaatsgevonden. Bovendien heeft nevenzittingsplaats Assen de staatssecretaris in een vergelijkbare zaak wel om een onderbouwing verzocht, aldus de vreemdeling.

2.1.1. Niet in geschil is dat aan de twee ter zitting van de rechtbank door de staatssecretaris gestelde geslaagde verwijderingen een periode van ruim een jaar vooraf is gegaan waarin geen uitzetting naar Irak heeft plaatsgevonden. Nu de vreemdeling voorts ter zitting van de rechtbank heeft betoogd dat in de twee door de staatssecretaris genoemde gevallen geen sprake kan zijn geweest van gedwongen uitzetting, had de rechtbank gelet op hetgeen de vreemdeling naar voren heeft gebracht haar oordeel niet zonder de staatssecretaris te verzoeken zijn mededeling over uitzetting naar Irak ter zitting nader te onderbouwen, op deze enkele mededeling mogen baseren.

De grief slaagt.

2.2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 12 maart 2008 beoordelen in het licht van de daartegen in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden, voor zover daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

2.3. In zijn brief van 29 mei 2008 heeft de staatssecretaris, samengevat weergegeven en voor zover thans van belang, aangegeven dat gedwongen uitzetting naar Irak mogelijk is met behulp van een EU-staat. Met de Iraakse autoriteiten is overeengekomen dat voor de feitelijke terugkeer van Irakezen gebruik kan worden gemaakt van zo'n EU-staat. In dit verband wijst de staatssecretaris erop dat sinds een week lijnvluchten worden uitgevoerd tussen Eindhoven Airport en Arbil (Noord-Irak). De staatssecretaris is voornemens de vreemdeling, die geboren is in [geboorteplaats], te verwijderen naar Noord-Irak.

In voormelde brief van 29 mei 2008 bericht de staatssecretaris verder dat op 17 maart 2008 een vreemdeling naar Arbil is uitgezet op grond van een verlopen laissez-passer en een EU-staat.

2.3.1. Gelet op het vorengaande bestaat vooralsnog geen grond voor het oordeel dat bij voorbaat moet worden aangenomen dat de afspraken met de Iraakse autoriteiten in het geval van de vreemdeling niet binnen een redelijke termijn tot het door de staatssecretaris gewenste resultaat zullen leiden. De Afdeling ziet bij deze stand van zaken geen grond voor het oordeel dat zicht op uitzetting van de vreemdeling binnen een redelijke termijn ontbreekt.

2.3.2. Aan de hiervoor niet besproken bij de rechtbank voorgedragen beroepsgronden komt de Afdeling niet toe. Over die gronden is door de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel gegeven, waartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Evenmin doet zich de situatie voor dat het oordeel over die gronden, dan wel onderdelen van het bij de rechtbank bestreden besluit waarop ze betrekking hebben, onverbrekelijk samenhangen met hetgeen in hoger beroep aan de orde is gesteld. Deze beroepsgronden vallen thans dientengevolge buiten het geding.

2.4. Gelet op het voorgaande zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaren. Er is geen grond voor schadevergoeding.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Roermond, van 1 april 2008 in zaak nr. 08/9111;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond;

IV. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. M.G.J. Parkins-de Vin, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.M.P. van Gemert, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter

w.g. Van Gemert

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2008

480.

Verzonden: 24 juni 2008

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak