Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD6129

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-02-2008
Datum publicatie
02-07-2008
Zaaknummer
200707770/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 januari 2006 heeft de hoofdingenieur-directeur Rijkswaterstaat Zuid-Holland (hierna: Rijkswaterstaat) geweigerd aan [appellante A] ontheffing te verlenen om op de rivier de Noord ligplaats te nemen en aldaar te laden en te lossen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200707770/1.

Datum uitspraak: 2 juli 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante A], gevestigd te [plaats] en [appellante B], gevestigd te [plaats],

appellanten,

tegen de uitspraak in zaak nr. 06/4499 van de rechtbank Rotterdam van 26 september 2007 in het geding tussen:

[appellante A] en [appellante B]

en

de hoofdingenieur-directeur Rijkswaterstaat Zuid-Holland.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 januari 2006 heeft de hoofdingenieur-directeur Rijkswaterstaat Zuid-Holland (hierna: Rijkswaterstaat) geweigerd aan [appellante A] ontheffing te verlenen om op de rivier de Noord ligplaats te nemen en aldaar te laden en te lossen.

Bij besluit van 4 oktober 2006 heeft Rijkswaterstaat het door [appellante B] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 26 september 2007, verzonden op 27 september 2007, heeft de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) het door [appellante A] daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard en het door [appellante B] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellante A] en [appellante B] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 november 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 2 januari 2008.

Rijkswaterstaat heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 mei 2008, waar [appellante A] en [appellante B], vertegenwoordigd door [adjunct directeur] van [appellante B], bijgestaan door mr. M.J. van Dam, advocaat te Capelle aan den IJssel, en Rijkswaterstaat, vertegenwoordigd door mr. D.L.N. Sugiharto-Ong, aldaar werkzaam, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. [appellante B] is eigenaresse van een industrieterrein aan de [locatie] te [plaats], dat is gelegen aan de rechteroever van de rivier de Noord. Het aan dit terrein grenzende water en de kademuur verhuurt zij aan haar dochtermaatschappij [appellante A]. [appellante A] houdt zich bezig met het vervaardigen van en de handel in bouwmaterialen en aanverwante artikelen en elementen van gewapend en ongewapend beton. Ten behoeve van die werkzaamheden is Rijkswaterstaat verzocht om verlening van een ligplaatsontheffing aan de loswal.

2.2. [appellante A] en [appellante B] bestrijden het oordeel van de rechtbank dat [appellante A] niet in haar beroep kan worden ontvangen, nu zij geen bezwaar heeft gemaakt tegen het primaire besluit. Zij stellen zich daarbij op het standpunt dat het bezwaarschrift ten onrechte niet is toegerekend aan [appellante A]. Zij wijzen in dat verband op de concernverhouding tussen de beide vennootschappen en op de parallel lopende belangen ter zake van hun werkzaamheden, die deels gelijk zijn.

Verder stellen zij dat ook uit het bezwaarschrift zelf volgt dat [appellante B] is opgetreden namens [appellante A]. Zij wijzen erop dat het bezwaarschrift in de "wij-vorm" is opgesteld, alsmede dat in het bezwaarschrift wordt gerefereerd aan het ongenoegen dat [appellante A] bij brief van 12 januari 2006 heeft laten blijken wegens het uitblijven van een beslissing.

2.3. Het betoog slaagt. Als onbestreden staat vast dat de aanvraag om ontheffing te verlenen om op de rivier de Noord ligplaats in te nemen, is gedaan door [appellante A]. Het primaire besluit is ook gericht aan [appellante A]. Het bezwaar daartegen is door [appellante B]. ondertekend en op haar briefpapier gesteld. De aanvraag wordt daarin als 'onze aanvraag' aangeduid. Gezien de inhoud ervan, moet het ervoor worden gehouden dat het bezwaar door [appellante B] als moedermaatschappij en directrice van [appellante A] voor [appellante A] is gemaakt. In de bij brief van 18 augustus 2006 gegeven toelichting op het bezwaar is ook bevestigd dat [appellante B] als gemachtigde van [appellante A] optreedt. Rijkswaterstaat heeft ten onrechte aangenomen dat [appellante B] in bezwaar op eigen titel voor zichzelf is opgetreden. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

2.4. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het hoger beroep gegrond is. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De bij de rechtbank ingestelde beroepen dienen beide alsnog gegrond te worden verklaard. De Afdeling zal, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, de beslissing op bezwaar eveneens vernietigen. De hoofdingenieur-directeur Rijkswaterstaat Zuid-Holland dient een inhoudelijke beslissing te nemen op het bezwaar dat door [appellante B] voor [appellante A] is gemaakt.

2.5. De hoofdingenieur-directeur Rijkswaterstaat Zuid-Holland dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 26 september 2007 in zaak nr. 06/4499;

III. verklaart de bij de rechtbank ingestelde beroepen gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de hoofdingenieur-directeur Rijkswaterstaat Zuid-Holland van 4 oktober 2006, kenmerk BBV/2006.10322 I;

V. veroordeelt de hoofdingenieur-directeur Rijkswaterstaat Zuid-Holland tot vergoeding van de bij [appellante B] en [appellante A] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.288,00 (zegge: twaalfhonderdachtentachtig euro) geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de Staat der Nederlanden (Rijkswaterstaat Zuid-Holland) aan [appellante B] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VI. gelast dat de Staat der Nederlanden (Rijkswaterstaat Zuid-Holland) aan [appellante B] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 709,00 (zegge: zevenhonderdnegen euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. W. Konijnenbelt en mr. K.J.M. Mortelmans, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J. den Broeder, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Den Broeder

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2008

97-384.