Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD6128

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-02-2008
Datum publicatie
02-07-2008
Zaaknummer
200707440/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 september 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Gemert-Bakel (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een vleesvarkenshouderij aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 17 september 2007 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200707440/1.

Datum uitspraak: 2 juli 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Gemert-Bakel,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 11 september 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Gemert-Bakel (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een vleesvarkenshouderij aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 17 september 2007 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 oktober 2007, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 november 2007.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 juni 2008, waar [appellanten], in persoon en bijgestaan door mr. J. Schoneveld, en het college, vertegenwoordigd door E.L.A. Kramer en M. van Gils, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. [appellanten] voeren aan dat onvoldoende is onderzocht of in de bestaande stallen binnen de inrichting de beste beschikbare technieken worden toegepast.

2.1.1. De bij het bestreden besluit verleende vergunning heeft, voor zover hier van belang, betrekking op het houden van 2.314 vleesvarkens in de bestaande stal met het Groen Labelstalsysteem BWL 2004.02 (chemisch luchtwassysteem met 70% reductie). Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 21 november 2007 in zaak nr. 200700553/1) behoren chemische luchtwassystemen tot de in de stallen van intensieve veehouderijen algemeen gebruikte en geaccepteerde systemen. Als zodanig kunnen dergelijke chemische luchtwassystemen, ondanks de nadelige neveneffecten ervan zoals het energieverbruik en het ontstaan van afvalwater, in de regel tot de beste beschikbare technieken worden gerekend. Er is geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet heeft kunnen concluderen dat ook in de in het geding zijnde stal de in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

De beroepsgrond faalt.

2.2. [appellanten] voeren aan dat het college ten onrechte geen beoordeling van cumulatieve stank vanwege het in werking zijn van de inrichting heeft gemaakt.

2.2.1. De Wet geurhinder en veehouderij (hierna: de Wet geurhinder) is van toepassing op de inrichting. Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wet geurhinder dient het college bij de beslissing omtrent verlening van de gevraagde vergunning de stankhinder uitsluitend te betrekken op de wijze die is aangegeven bij of krachtens de artikelen 3 tot en met 9 van de Wet geurhinder. Deze artikelen voorzien niet in een toetsing van cumulatieve stankhinder. Het college heeft een dergelijke beoordeling dan ook terecht niet uitgevoerd. De beroepsgrond faalt.

2.3. [appellanten] voeren aan dat het college ten onrechte geen beoordeling in het kader van de richtlijn 79/409/EEG (hierna: de Vogelrichtlijn) en de richtlijn 92/43/EEG (hierna: de Habitatrichtlijn) heeft gemaakt van de directe woon- en leefomgeving, zoals hun tuin.

2.3.1. Een beoordeling in het kader van de Vogel- en Habitatrichtlijn kan slechts betrekking hebben op gebieden die zijn aangewezen als speciale beschermingszone in de zin van de Vogelrichtlijn of als gebied van communautair belang in de zin van de Habitatrichtlijn. De directe omgeving van de woning van [appellanten] is geen speciale beschermingszone of gebied van communautair belang. Reeds daarom kan in dit opzicht geen strijd bestaan met de Vogel- en Habitatrichtlijn. De beroepsgrond faalt.

2.4. Voor zover [appellanten] aanvoeren dat het college in het verleden de indruk heeft gewekt dat de mogelijkheid tot vestiging of uitbreiding van intensieve veehouderijen in de directe omgeving van hun woning beperkt zou zijn en dat de ontwikkelingen in de omgeving niet passen in het door het college geschetste beeld, overweegt de Afdeling dat in de huidige procedure ter beoordeling staat of het college op goede gronden heeft geoordeeld dat het belang van de bescherming van het milieu niet noopt tot weigering van de vergunning of tot het daaraan verbinden van nadere voorschriften. De stelling van [appellanten] heeft geen betrekking op die beoordeling. De beroepsgrond faalt.

2.5. Het beroep is ongegrond.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, voorzitter, en mr. J.H. van Kreveld en mr. W. Sorgdrager, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink w.g. Van der Zijpp

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2008

262-492.