Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD6100

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-02-2008
Datum publicatie
02-07-2008
Zaaknummer
200707568/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 september 2006 heeft de burgemeester van Den Haag (hierna: de burgemeester) de aanvraag van [appellant] om ontheffing van de standaardsluitingstijden (hierna: nachtontheffing) voor de recreatie-inrichting "Miami Beach" gevestigd in het perceel Zeekant 84-85 (hierna: de recreatie-inrichting) afgewezen .

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200707568/1.

Datum uitspraak: 2 juli 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Den Haag,

appellant,

tegen de uitspraak in zaken nrs. 07/4040 en 07/5021 van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage van 14 september 2007 in het geding tussen:

[appellant]

en

de burgemeester van Den Haag.

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 september 2006 heeft de burgemeester van Den Haag (hierna: de burgemeester) de aanvraag van [appellant] om ontheffing van de standaardsluitingstijden (hierna: nachtontheffing) voor de recreatie-inrichting "Miami Beach" gevestigd in het perceel Zeekant 84-85 (hierna: de recreatie-inrichting) afgewezen .

Bij besluit van 27 juni 2007 heeft de burgemeester het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 14 september 2007, verzonden op 17 september 2007, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de voorzieningenrechter), voor zover thans van belang, het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 oktober 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 27 november 2007.

De burgemeester heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 4 mei 2008 heeft [appellant] een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 mei 2008, waar [appellant], bijgestaan door mr. J. Geelhoed, advocaat te Den Haag, en [gemachtigde], en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. E.P. Alonso en C.E.J.M. Vaars, ambtenaren in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 56, aanhef en onder 8, van de Algemene politieverordening voor 's-Gravenhage 1982 (hierna: de APV) wordt onder categorieën van recreatie-inrichtingen verstaan:

a. Categorie 1 recreatie-inrichtingen, die alleen zijn gericht op exploitatie gedurende de dag;

b. Categorie 2 alle overige recreatie-inrichtingen.

c. Categorie 3 recreatie-inrichtingen als bedoeld onder b die tevens zijn gericht op exploitatie in de nachtelijke uren en gelegen zijn in een uitgaanskern zoals aangegeven op een door burgemeester en wethouders vastgestelde kaart.

Ingevolge artikel 66, onder 1b, van de APV, is het verboden een recreatie-inrichting, die behoort tot categorie 2, voor bezoekers geopend te hebben en aldaar bezoekers toe te laten of te laten verblijven op zaterdagen en zondagen tussen 01.30 uur en 07.00 uur en op alle overige dagen tussen 01.00 uur en 07.00 uur, tenzij op grond van de leden 3 of 4 ontheffing is verleend.

Ingevolge artikel 66, onder 3, van de APV, kan de burgemeester, gelet op de locatie en de aard van de recreatie-inrichting, ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod, zij het met die beperking, dat: - alleen een recreatie-inrichting behorende tot categorie 1 in aanmerking komt voor een ontheffing voor de uren welke zijn gelegen tussen 05.00 uur en 07.00 uur;

- alleen een recreatie-inrichting behorende tot categorie 2 in aanmerking komt voor een ontheffing voor de uren gelegen tussen 01.00 uur en 05.00 uur of tussen 01.30 een 05.00 uur.

2.1.1. Het gemeentelijk horecabeleid is vastgelegd in de door de gemeenteraad vastgestelde Nota Horeca Binnenstad van 7 juli 1994, de Structuurvisie Horeca Den Haag van 14 september 2000 en de voortgangsrapportage Structuurvisie Horeca Den Haag van 24 juni 2004 (hierna: de voortgangsrapportage). In de voortgangsrapportage, die de burgemeester als het door hem te voeren beleid heeft overgenomen, wordt vermeld dat uitgaanskernen met vrije openingstijden worden beperkt tot uitsluitend horecakernen, waaronder Scheveningen-Bad. Recreatie-inrichtingen in de zijstraten rond de uitgaanskernen worden uitgesloten van vrije openingstijden. De huidige legale nachtexploitaties in de zijstraten kunnen worden voortgezet en ongewijzigde overname van deze recreatie-inrichtingen met behoud van nachtexploitatie blijft mogelijk. Vestiging van nieuwe nachtexploitaties in de zijstraten wordt niet meer toegestaan.

2.2. De burgemeester heeft aan de - bij het besluit op bezwaar gehandhaafde - weigering van de nachtontheffing ten grondslag gelegd dat de recreatie-inrichting niet is gelegen in een van de aangewezen uitgaanskernen maar vlak buiten de uitgaanskern Scheveningen-Bad.

2.3. [appellant] betoogt dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat de burgemeester ten onrechte heeft aangenomen dat de recreatie-inrichting niet in de uitgaanskern Scheveningen-Bad ligt. Volgens [appellant] dient het deel van de Zeekant waar de recreatie-inrichting ligt, en dat functioneert als toegangsroute tot de uitgaanskern Scheveningen-Bad, feitelijk te worden gezien als onderdeel van deze uitgaanskern aangezien de gemeente dit deel al twintig jaar zodanig behandelt door het verlenen van nachtontheffingen voor andere recreatie-inrichtingen. [appellant] betoogt voorts dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat hij heeft mogen vertrouwen op de feitelijke mededeling van een medewerkster van de gemeente waaruit zou blijken dat de recreatie-inrichting gelegen is binnen de uitgaanskern Scheveningen-Bad. Ten slotte betoogt [appellant] in dit verband dat de burgemeester onlangs aan andere recreatie-inrichtingen gelegen aan de Zeekant wederom nachtontheffingen heeft verleend.

2.3.1. De Afdeling is met de voorzieningenrechter van oordeel dat het door de burgemeester gehanteerde beleid ten aanzien van nachtontheffingen niet onredelijk is. Zoals de voorzieningenrechter terecht heeft vastgesteld is de recreatie-inrichting gelegen buiten de uitgaanskern Scheveningen-Bad. De weigering van de gevraagde nachtontheffing past daarmee binnen het beleid.

Het betoog van [appellant] dat hij heeft mogen vertrouwen op de feitelijke mededeling van de betrokken medewerkster, wat daar verder ook van zij, leidt niet tot een ander oordeel. Zoals de voorzieningenrechter terecht heeft overwogen komt het voor rekening van [appellant] dat hij is afgegaan op de vermeende mededeling van de betrokken medewerkster van de gemeente en had hij zelf voor de aankoop van de recreatie-inrichting moeten vergewissen of deze in de uitgaanskern lag.

2.3.2. Ten aanzien van het betoog van [appellant] dat de burgmeester aan andere recreatie-inrichtingen aan de Zeekant wel nachtontheffingen heeft verleend, kan worden vastgesteld dat, zoals de voorzieningenrechter terecht heeft overwogen, de nachtontheffing van Zeekant nr. 88-89 is verlopen op 29 maart 2008 en de burgemeester te kennen heeft gegeven de aangevraagde nachtontheffing voor Zeekant nr. 83 te zullen weigeren.

Ten aanzien van de recent aan de recreatie-inrichtingen op de Zeekant nrs. 87 en 90-91 verleende nachtontheffingen heeft de burgemeester zich op het standpunt gesteld dat deze recreatie-inrichtingen reeds voor de publicatie van de Nota Horeca Binnenstad in 1994 beschikten over een nachtontheffing. De door de betreffende ondernemers aldus verworven rechten worden gerespecteerd, waarbij de omstandigheid dat van de nachtontheffing gedurende een bepaalde periode geen gebruik is gemaakt geen rol speelt, aldus de burgemeester.

Dit standpunt is naar het oordeel van de Afdeling niet onredelijk. Anders dan [appellant] stelt, kan zijn situatie niet vergeleken worden met de recreatie-inrichtingen op de Zeekant nrs. 87 en 90-91, nu hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat de op het adres Zeekant 84-85 gevestigde recreatie-inrichting voor 1994 over een nachtontheffing beschikte. Evenmin is aannemelijk dat zijn voorgangers na 1994 over een nachtontheffing beschikten. [appellant] kan zich om die reden niet beroepen op verworven rechten.

Gelet hierop heeft de burgemeester terecht geen aanleiding gezien om in afwijking van het thans door hem gevoerde beleid aan [appellant] een nachtontheffing te verlenen.

2.4. Het betoog van [appellant], inhoudende dat de voorzieningenrechter heeft nagelaten te toetsen of het door de burgmeester gevoerde beleid er aan in de weg staat dat hem een nachtontheffing wordt verleend nu de recreatie-inrichting geen relevante overlast veroorzaakt, faalt. Zoals hiervoor is overwogen is het beleid van de burgemeester, inhoudende dat geen nieuwe nachtontheffingen worden verleend voor recreatie-inrichtingen buiten uitgaanskernen, niet onredelijk en is de weigering in overeenstemming met dit beleid. Overigens heeft de burgemeester verwezen naar het negatieve advies van de politie Haaglanden van 6 februari 2007 ten aanzien van het verzoek om nachtontheffing van [appellant]. In dit advies staat dat op het betreffende gedeelte van de Zeekant meerdere ordeverstoringen en strafbare feiten hebben plaatsgevonden. Dat, zoals [appellant] stelt, de politie thans een positief advies heeft afgegeven, laat onverlet dat ten tijde van het besluit op bezwaar de burgemeester van het eerder genoemde negatieve advies van de politie mocht uitgaan.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. W.D.M. van Diepenbeek, leden, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Van Hardeveld

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2008

312-512.