Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD6097

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-02-2008
Datum publicatie
02-07-2008
Zaaknummer
200708027/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 september 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente 's-Hertogenbosch (hierna: de raad) bij besluit van 23 januari 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Kom Bokhoven".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Horeca 2008/749
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200708027/1.

Datum uitspraak: 2 juli 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de vennootschap onder firma Het Veerhuis Café-Partyboerderij, gevestigd te 's-Hertogenbosch, waarvan de vennoten zijn [vennoot sub 1] en [vennoot sub 2], wonend te [woonplaats],

appellante,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 september 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente 's-Hertogenbosch (hierna: de raad) bij besluit van 23 januari 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Kom Bokhoven".

Tegen dit besluit heeft de vennootschap onder firma Het Veerhuis Café-Partyboerderij (hierna: Het Veerhuis) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 november 2007, beroep ingesteld.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft het college van burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 mei 2008, waar Het Veerhuis, vertegenwoordigd door mr. M.P.A. Oogjen, advocaat te Woerden, en de raad, vertegenwoordigd door G.J.A. Meulendijks, ambtenaar in dienst van de gemeente zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht, rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.2. Het Veerhuis heeft het gestelde in het beroepschrift, dat de door de raad toegestane uitbreidingsmogelijkheid van het pand aan de [locatie] te [plaats], onjuist op de plankaart is weergegeven, ter zitting ingetrokken.

2.3. Het Veerhuis betoogt dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan artikel 6.1 aanhef en onder a, in verbinding met artikel 1 van de planvoorschriften, voor zover het de definitiebepaling betreft van de bestemming "Horeca I" en "Horeca II", omdat de bestaande horeca-activiteiten niet binnen deze bestemming vallen. Niet valt in te zien waarom het houden van feesten en partijen niet als zodanig in het plan is opgenomen, nu het plan mede tot doel heeft de bestaande situaties in kaart te brengen. Voorts heeft Het Veerhuis bezwaar tegen de aanwijzing als gemeentelijk monument nu dit te weinig uitbreidingsmogelijkheden met zich brengt. Het Veerhuis wenst een uitbouw van zestien bij negen meter aan de zijkant van het pand en een winterterras. In dit verband wijst zij erop dat het plan ruimte biedt voor een dergelijk terras, nu deze constructie niet als gebouw dient te worden aangemerkt. Tevens stelt Het Veerhuis zich op het standpunt dat het onduidelijk is of het plan voldoende ruimte biedt voor het plaatsen van windschermen.

2.4. Het college acht op grond van de begripsomschrijving het gebruik van café en feestzaal passend binnen de opgenomen bestemming. Voorts stelt het college zich op het standpunt dat, het gaat om een gemeentelijk monument, het redelijk is dat het plan beperkte uitbreidingsmogelijkheid biedt. Tevens stelt het college zich op het standpunt dat het plan voldoende ruimte biedt voor het plaatsen van windschermen.

2.5. Ingevolge artikel 1 van de planvoorschriften wordt verstaan onder de bestemming "Horeca I": een bedrijf dat is gericht op het verstrekken van maaltijden voor gebruik ter plaatse (restaurantbedrijf, waaronder ook worden verstaan lunchrooms, eethuizen, bistro's, automaten, broodjeszaken en dergelijke) met uitzondering van de erotisch getinte vermaaksfunctie. Ingevolge dit zelfde artikel wordt verstaan onder "Horeca II": een bedrijf dat is gericht op het ter plaatse verstrekken van dranken, met uitzondering van een erotisch getinte vermaaksfunctie. Blijkens de plantoelichting moet horeca in alle andere categorieën, waaronder gerekend hotels/ pensions, danszalen, discotheken en seksinrichtingen strijdig met het plan worden geacht. Het Veerhuis exploiteert ter plaatse een cafébedrijf met daarbij verhuur van zaalruimte voor feesten en partijen.

2.6. De raad heeft zowel in de schriftelijk uiteenzetting, als ter zitting verklaard dat het bestaande gebruik door het cafébedrijf en het daarbij behorende zaalverhuurbedrijf passen binnen de bestemming "Horeca I" en "Horeca II". De Afdeling acht dit standpunt niet onjuist. Gelet op het voorgaande heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het bestaande gebruik in overeenstemming is met de bestemming "Horeca I" en "Horeca II", zoals bedoeld in artikel 6.1, aanhef en onder a, in verbinding met artikel 1 van de voorschriften. In de voorschriften wordt uitsluitend de erotisch getinte vermaaksfunctie uitgesloten. De omstandigheid dat in de plantoelichting een opsomming wordt gegeven van categorieën horeca, waaronder danszalen, die niet zijn toegestaan doet hieraan niet af, aangezien deze toelichting geen deel uitmaakt van het plan en daaraan geen juridisch bindende betekenis toekomt.

2.7. Voor zover Het Veerhuis stelt dat er in verband met de uitbreidingsmogelijkheden bezwaren bestaan tegen de aanwijzing van het pand als monument, overweegt de Afdeling dat de aanwijzing als gemeentelijk monument op 10 maart 2005 heeft plaatsgevonden en dat deze aanwijzing, die inmiddels onherroepelijk is geworden, in dit geding als een gegeven moet worden beschouwd.

Vanwege de status van gemeentelijk monument van het pand is aan Het Veerhuis de mogelijkheid geboden tot een uitbreiding in de vorm van een winterterras aan de voorzijde van het pand of een uitbouw van tien bij negen meter evenwijdig aan de voorgevel. In overleg met Het Veerhuis is in het plan de uitbreidingsmogelijkheid van tien bij negen meter evenwijdig aan de voorgevel opgenomen. Het college heeft in redelijkheid kunnen instemmen met deze uitbreidingsmogelijkheid. Hierbij heeft het college belang kunnen hechten aan het feit dat het pand is gelegen binnen het beschermd dorpsgezicht. Voorts heeft het college in aanmerking kunnen nemen dat de door Het Veerhuis gewenste ruimere uitbreidingsmogelijkheden, waaronder de uitbreiding van het winterterras aan de voorzijde van het pand, het karakter van het pand als gemeentelijk monument te veel zullen aantasten. In dit verband is van belang dat een constructie als het door het Veerhuis gewenste winterterras, die verbonden is met het pand en waarbij gebruik wordt gemaakt van een flexibele overkapping aangesloten op verwijderbare schermen, geacht moet worden mede deel uit te maken van het pand zelf en als een gebouw moet worden aangemerkt. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 3 mei 2006 in zaak nr. 200506615/1 dient een bouwwerk in zijn volle omvang, derhalve met de flexibele overkapping in uitgeklapte toestand, te worden bezien.

2.8. Ten aanzien van de stelling van Het Veerhuis dat het onduidelijk is of het plan voldoende mogelijkheden biedt voor het plaatsen van windschermen bij het bestaande terras, dat niet is voorzien van een constructie met een flexibele overkapping als bedoel in overweging 2.6, overweegt de Afdeling dat ingevolge artikel 6.2.2 van de voorschriften binnen de bestemming "Horeca I" en "Horeca II" bouwwerken geen gebouw zijnde ten dienste van de bestemming mogen worden gebouwd. Dit artikel bepaalt tevens dat de hoogte van bouwwerken, geen gebouw zijnde maximaal drie meter mag bedragen, tenzij het gaat om een erfafscheiding; in dat geval bedraagt de maximale hoogte één meter. De variabele windschermen dienen te worden aangemerkt als bouwwerken geen gebouw zijnde en vallen derhalve onder artikel 6.2.2 van de voorschriften. Gelet op het voorgaande heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan voldoende ruimte biedt voor het plaatsen van variabele windschermen. Hierbij heeft het college in aanmerking kunnen nemen dat een scherm met een hoogte van drie meter, en in geval het scherm dienst doet als erfafscheiding één meter, voldoende mogelijkheden biedt voor het beschermen van het terras tegen de wind.

2.9. De conclusie is dat hetgeen het Veerhuis heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.J.A.M. Broekman, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel w.g. Broekman

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2008

12-575.