Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD6096

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-02-2008
Datum publicatie
02-07-2008
Zaaknummer
200708269/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 juli 2006 heeft de minister van Buitenlandse Zaken (hierna: de minister) het verzoek van [appellant] ingewilligd om in het bezit gesteld te worden van de stukken die ten grondslag hebben gelegen aan het in het kader van een asielprocedure opgemaakte individueel ambtsbericht van 25 april 2006, met uitzondering van enkele passages.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200708269/1.

Datum uitspraak: 2 juli 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Oude Pekela, gemeente Pekela,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak nr. 06/4529 van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 8 oktober 2007 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Buitenlandse Zaken.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 juli 2006 heeft de minister van Buitenlandse Zaken (hierna: de minister) het verzoek van [appellant] ingewilligd om in het bezit gesteld te worden van de stukken die ten grondslag hebben gelegen aan het in het kader van een asielprocedure opgemaakte individueel ambtsbericht van 25 april 2006, met uitzondering van enkele passages.

Bij besluit van 29 september 2006 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 8 oktober 2007, verzonden op 16 oktober 2007, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 november 2007, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 juni 2008.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

Ingevolge het vijfde lid wordt een verzoek om informatie ingewilligd met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 10 en 11 van de Wob.

Ingevolge artikel 10, tweede lid, voor zover thans van belang, blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen:

[…]

d. inspectie, controle en toezicht door bestuursorganen;

e. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer;

[…]

g. het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden.

2.2. Bij besluit van 29 september 2006 heeft de minister zijn besluit van 20 juli 2006 gehandhaafd om een aantal passages uit de stukken die ten grondslag hebben gelegen aan een individueel ambtsbericht dat is opgemaakt in het kader van de asielprocedure van [appellant], niet openbaar te maken. De minister heeft zich daarbij beroepen op de belangen gediend met de bescherming van zijn informatiebronnen en zijn onderzoeksmethoden en -technieken.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat niet staande kan worden gehouden dat de voor [appellant] nadelige gevolgen van het besluit op bezwaar onevenredig zijn in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen. Voorts voert [appellant] aan dat de rechtbank ten onrechte voorbijgegaan is aan het door hem aangevoerde algemene belang bij de openbaarmaking van de onderliggende stukken bij het individueel ambtsbericht.

2.3.1. Het recht op openbaarmaking ingevolge de Wob dient uitsluitend het publieke belang van een goede en democratische bestuursvoering, welk belang de Wob vooronderstelt. Daarom kan ten aanzien van de openbaarheid geen onderscheid worden gemaakt naar gelang de persoon of de oogmerken van de verzoeker. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat het specifieke belang van [appellant] bij verstrekking van de verzochte informatie geen belang is dat mag worden betrokken bij de in het kader van de Wob te maken belangenafweging. De omstandigheid dat behalve [appellant] ook anderen belang kunnen hebben bij openbaarmaking van de door de Minister gebruikte bronnen en de gehanteerde methoden en technieken van onderzoek maakt niet dat de rechtbank de door de minister gemaakte belangenafweging anders had moeten beoordelen dan zij heeft gedaan.

De rechtbank heeft voorts met juistheid overwogen dat de vraag welk ander belang zich tegen openbaarheid verzet, door de rechter integraal dient te worden getoetst. Zij heeft in dit verband terecht overwogen dat de rechterlijke toetsing van het bestuurlijk oordeel over de vraag, of het openbaarheidsbelang meer of minder zwaar weegt dan de andere in de Wob genoemde belangen, niet afwijkt van de redelijkheidstoetsing overeenkomstig artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, en dat bij die toetsing het uitgangspunt van de Wob - openbaarheid is regel - zwaar dient te wegen.

2.3.2. De Afdeling heeft met toepassing van artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb kennis genomen van de niet aan [appellant] verstrekte tekstpassages in de stukken die aan het individueel ambtsbericht ten grondslag hebben gelegen en stelt vast dat de belangen waarop de minister zich heeft beroepen, bij de informatie in deze passages aan de orde zijn.

De passages hebben betrekking op identiteit, functies en werkomgeving van vertrouwenspersonen en andere geraadpleegde bronnen en op gebruikte methoden en technieken van onderzoek respectievelijk het kennisniveau. Gelet op de inhoud van deze passages is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat de minister bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid openbaarmaking van deze passages achterwege heeft kunnen laten.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Bijloos w.g. Van Hardeveld

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2008

312-440.