Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD6088

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-02-2008
Datum publicatie
02-07-2008
Zaaknummer
200801024/1, 200801025/1 en 200801026/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ten aanzien van zaak nr. 200801024/1. Bij besluit van 24 mei 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Haaren (hierna: het college) geweigerd aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Flora Partners B.V. (hierna: Flora Partners) vrijstelling en een aanlegvergunning te verlenen voor het aanleggen van uitneembare stelconplaten en een verhard pad ten behoeve van containerteelt op het perceel plaatselijk bekend als Ruiting (ong.) te Haaren (hierna: het perceel). Ten aanzien van zaak nr. 200801025/1. Bij besluit van 24 mei 2007 heeft het college [wederpartij sub 2] onder oplegging van een dwangsom gelast de nader in het besluit omschreven ten behoeve van containerteelt verrichte werkzaamheden en aangebrachte voorzieningen op het perceel te verwijderen en verwijderd te houden. Ten aanzien van zaak nr. 200801026/1. Bij besluit van 17 mei 2006 heeft het college [wederpartij sub 2] onder oplegging van een dwangsom gelast de aanlegwerkzaamheden, inclusief de daaruit direct voortvloeiende activiteiten, zoals het plaatsen en geplaatst houden van potten op het perceel te beëindigen en beëindigd te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200801024/1, 200801025/1 en 200801026/1.

Datum uitspraak: 2 juli 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

het college van burgemeester en wethouders van Haaren,

appellant,

tegen de uitspraken in de zaken nrs. 07/1790, 07/1814 en 07/1859 van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 2 januari 2008 in de gedingen tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Flora Partners B.V. gevestigd te Nijmegen en [wederpartij sub 2] wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Haaren.

1. Procesverloop

Ten aanzien van zaak nr. 200801024/1. Bij besluit van 24 mei 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Haaren (hierna: het college) geweigerd aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Flora Partners B.V. (hierna: Flora Partners) vrijstelling en een aanlegvergunning te verlenen voor het aanleggen van uitneembare stelconplaten en een verhard pad ten behoeve van containerteelt op het perceel plaatselijk bekend als Ruiting (ong.) te Haaren (hierna: het perceel). Ten aanzien van zaak nr. 200801025/1. Bij besluit van 24 mei 2007 heeft het college [wederpartij sub 2] onder oplegging van een dwangsom gelast de nader in het besluit omschreven ten behoeve van containerteelt verrichte werkzaamheden en aangebrachte voorzieningen op het perceel te verwijderen en verwijderd te houden. Ten aanzien van zaak nr. 200801026/1. Bij besluit van 17 mei 2006 heeft het college [wederpartij sub 2] onder oplegging van een dwangsom gelast de aanlegwerkzaamheden, inclusief de daaruit direct voortvloeiende activiteiten, zoals het plaatsen en geplaatst houden van potten op het perceel te beëindigen en beëindigd te houden.

Bij besluit van 24 mei 2007 heeft het college het daartegen door Flora Partners en [wederpartij sub 2] ingestelde bezwaar ongegrond verklaard.

Ten aanzien van de drie zaken:

Bij uitspraken van 2 januari 2008 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, de door Flora Partners en [wederpartij sub 2] tegen de besluiten van 24 mei 2007 ingestelde beroepen gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en het besluit van 17 mei 2006 vernietigd (lees: herroepen) en voorts het besluit van 24 mei 2007 in zaak nr. 200801024/1 herroepen en bepaald dat de aanvraag voor de aanlegvergunning alsnog niet-ontvankelijk wordt verklaard en dat die uitspraak in de plaatst treedt van het vernietigde besluit. Deze uitspraken zijn aangehecht.

Tegen voormelde uitspraken heeft het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 februari 2008, hoger beroep ingesteld.

Flora Partners en [wederpartij sub 2] hebben een verweerschrift ingediend.

Het college en Flora Partners en [wederpartij sub 2] hebben nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaken ter zitting behandeld op 9 juni 2008, waar het college, vertegenwoordigd door mr. G.M.H. Martens, ambtenaar in dienst van de gemeente, en [wederpartij sub 2], in persoon, en Flora Partners, beide bijgestaan door mr. J.J.J. de Rooij, advocaat te Tilburg, en [gemachtigde], zijn verschenen.

2. Overwegingen

Ten aanzien van zaak nr. 200801024/1

2.1. Op grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied 1996" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "Agrarisch gebied met abiotische en natuurwaarden".

Ingevolge artikel 5.1.1. van de bij het bestemmingsplan behorende voorschriften (hierna: planvoorschriften) (doeleindenbeschrijving) zijn de gronden, die op plankaart 1 zijn aangegeven als "Agrarisch gebied met abiotische en natuurwaarden", bestemd voor:

a. de duurzame uitoefening van het agrarisch bedrijf, met de daarbij behorende voorzieningen;

b. behoud, herstel en/of ontwikkeling van natuur(wetenschappelijke) waarden, nader gedifferentieerd op plankaart 1 en in de hierna volgende voorschriften;

c 1. in het algemeen:

behoud, herstel en/of ontwikkeling van abiotische waarden;

2. in het bijzonder:

- behoud van dalvormige laagten, voor zover op plankaart 1 de aanduiding "G" (geomorfologie) is aangegeven;

- bescherming van verdrogingsgevoelige gronden, voor zover op de plankaart 1 de aanduiding "V" is gegeven (hydrologie);

d. behoud, herstel en/of ontwikkeling van landschappelijke waarden;

e. behoud van archeologische waarden, voor zover op plankaart 1 de aanduiding "archeologisch meldingsgebied" is aangegeven;

f. extensieve dagrecreatie.

Ingevolge artikel 5.5, eerste lid, van de planvoorschriften wordt onder een verboden gebruik, als bedoeld in de Algemene gebruiksbepaling (artikel 25), afhankelijk van de op plankaart 1 aangegeven differentiatie, tevens verstaan het doen of laten uitvoeren van werken en/of werkzaamheden, die in het "schema aanlegvergunningen" met een "x" zijn aangegeven, zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning).

Ingevolge artikel 5.5, tweede lid, aanhef en onderdeel b, van de planvoorschriften geldt het onder het eerste lid vervatte verbod niet voor werken of werkzaamheden welke betreffen het normale onderhoud en beheer van de betrokken gronden en/of geschieden in het kader van de bestendige agrarische bedrijfsvoering.

Ingevolge artikel 25, eerst lid, van de planvoorschriften is het verboden de in het plan begrepen gronden en bouwwerken te gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met het in het plan bepaalde.

2.2. Het college betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het aanleggen van paden van uitneembare betonnen stelconplaten en de aanleg van een verhard pad in strijd is met het bestemmingsplan, zodat daarvoor vrijstelling nodig is. Volgens het college dient te worden beoordeeld of de werkzaamheden vallen onder de doeleindenomschrijving van artikel 5.1.1 van de planvoorschriften waarin zijns inziens een cumulatieve opsomming is gegeven. Ook betoogt het college dat er een omschakeling heeft plaatsgevonden in de bedrijfsvoering, zodat geen sprake is van een bestendige agrarische bedrijfsvoering als bedoeld in artikel 5.5, tweede lid, aanhef en onder b, van de planvoorschriften.

2.2.1. Dit betoog slaagt niet. Partijen zijn het er over eens dat de bedrijfsuitoefening door Flora Partners op het perceel niet in strijd is met de bestemming "duurzame uitoefening van het agrarisch bedrijf, met de daarbij bedoelde voorzieningen", als bedoeld in artikel 5.1.1., aanhef en onder a, van de planvoorschriften. Ingevolge artikel 5.1.1 van de planvoorschriften mogen de percelen met de bestemming "Agrarisch gebied met abiotische en natuurwaarden" worden gebruikt, voor alle in deze doeleindenomschrijving genoemde gebruiksmogelijkheden. De in deze bepaling vermelde doeleinden zijn niet cumulatief van aard, nu enige van die doeleinden onderling tegenstrijdig zijn. Het college kan evenmin worden gevolgd in de door hem voorgestane uitleg van het begrip "bestendige agrarische bedrijfsvoering" die is gebaseerd op een brochure van de Vogelbescherming Nederland, nu die uitleg met zich zou brengen dat geen enkele vernieuwing van het agrarisch bedrijf kan plaatsvinden. Voorts is in dit verband van belang dat het begrip "bestendige agrarische bedrijfsvoering" niet is gedefinieerd in de planvoorschriften en ook de toelichting bij het bestemmingsplan omtrent de betekenis daarvan geen duidelijkheid biedt. Voor de uitleg van dit begrip zal dan ook aansluiting moeten worden gezocht bij het algemeen spraakgebruik, namelijk een agrarisch bedrijf dat duurzaam is. Dat er een wijziging in de bedrijfsvoering heeft plaatsgevonden, doet niet af aan de duurzaamheid van het agrarisch bedrijf. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat in het onderhavige geval het aanleggen en verharden van paden moet worden aangemerkt als werken en/of werkzaamheden in het kader van de bestendige agrarische bedrijfsvoering als bedoeld in artikel 5.5, tweede lid, aanhef en onderdeel b, van de planvoorschriften, zodat er geen aanlegvergunning nodig is. De omstandigheid dat de stelconplaten en het verharde pad ook voor een ander doel zouden kunnen worden gebruikt, leidt niet tot een ander oordeel, nu onweersproken vaststaat dat de voorzieningen zijn aangebracht ten behoeve van deze agrarische bedrijfsuitoefening.

2.3. Het hoger beroep is ongegrond.

Ten aanzien van zaken nrs. 200801025/1 en 200801026/1

2.4. Het betoog van het college dat de rechtbank heeft miskend dat het bevoegd is handhavend op te treden, slaagt niet. Zoals hiervoor in rechtsoverweging 2.2.1 is geoordeeld, is het gebruik van het perceel, waarop de bestemming "Agrarisch gebied met abiotische en natuurwaarden" rust, ten behoeve van de bedrijfsuitoefening door Flora Partners in overeenstemming met het bestemmingsplan. De rechtbank is terecht tot het oordeel gekomen dat de aangebrachte voorzieningen en verrichte activiteiten moeten worden aangemerkt als werken en/of werkzaamheden in het kader van de bestendige agrarische bedrijfsvoering als bedoeld in artikel 5.5, onder 2, aanhef en onderdeel b, zodat er geen aanlegvergunning nodig is. Nu geen sprake is van een met het bestemmingsplan strijdig gebruik, was het college dan ook niet bevoegd om handhavend op te treden.

2.5. Ook deze hoger beroepen zijn ongegrond. De aangevallen uitspraken dienen te worden bevestigd.

2.6. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraken;

II. veroordeelt het college tot vergoeding van bij Flora Partners en [wederpartij sub 2] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro) geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Haaren aan Flora Partners en [wederpartij sub 2] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

III. gelast dat van de gemeente Haaren griffierecht ten bedrage van € 1284,00 (zegge: twaalfhonderdvierentachtig euro) voor de behandeling van het hoger beroep wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. C.W. Mouton, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.L.M. Steinebach-de Wit, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak w.g. Steinebach-de Wit

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2008

328-430.