Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD6082

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-07-2008
Datum publicatie
02-07-2008
Zaaknummer
200707538/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brief van 12 mei 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Waddinxveen (hierna: het college) het verzoek van [appellant] hem een groenstrook, gelegen aan de [locatie 1] ter hoogte van de [locatie 2], te verkopen, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2008, 278 met annotatie van R. Ortlep
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200707538/1.

Datum uitspraak: 2 juli 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nr. 06/1597 van de rechtbank 's-Gravenhage van 27 september 2007 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Waddinxveen.

1. Procesverloop

Bij brief van 12 mei 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Waddinxveen (hierna: het college) het verzoek van [appellant] hem een groenstrook, gelegen aan de [locatie 1] ter hoogte van de [locatie 2], te verkopen, afgewezen.

Bij uitspraak van 30 november 2005, verzonden op 2 december 2005, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het door [appellant] tegen het uitblijven van een besluit op het door [appellant] gemaakte bezwaar ingestelde beroep gegrond verklaard en onder oplegging van een dwangsom bepaald dat het college binnen twee weken na verzending van die uitspraak een besluit op het bezwaar dient te nemen.

Bij besluit van 15 december 2005 heeft het college onder meer het door [appellant] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard, voor zover dat is gericht is tegen de weigering om vrijstelling te verlenen.

Bij brief van 23 februari 2006 heeft [appellant] beroep ingesteld tegen het gestelde uitblijven van een besluit op bezwaar.

Bij uitspraak van 27 september 2007, verzonden op 28 september 2007, heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, dat beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 oktober 2007, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 mei 2008, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door P.C.C.W. Kruijk, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het hoger beroep is gericht op het verkrijgen van een oordeel over de vraag of de rechtbank terecht heeft overwogen dat door het college is voldaan aan de uitspraak van de rechtbank van 30 november 2005, verzonden op 2 december 2005, waarin de rechtbank het college onder oplegging van een dwangsom heeft opgedragen om binnen twee weken na verzending van die uitspraak een besluit op het bezwaar van [appellant] te nemen.

Een besluit is genomen op het moment dat de besluitvorming is voltooid en de beslissing is verwoord in een ondertekend en van een dagtekening voorzien geschrift. Vastgesteld moet dan ook worden dat het college op 15 december 2005, derhalve binnen de door de rechtbank gestelde termijn, een besluit op het bezwaar van [appellant] heeft genomen.

Geen grond bestaat voor het oordeel dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak ten onrechte is teruggekomen van een eerder ingenomen standpunt, neergelegd in een brief van 27 juli 2006 aan de gemachtigde van [appellant]. Deze brief bevat niet meer dan een door de griffier van de rechtbank in het kader van de administratieve voortgang van de procedure gedane mededeling dat van het college een op 31 mei 2006 gedateerd stuk is ontvangen. Daarin is, anders dan [appellant] stelt, geen processuele tussenbeslissing van de rechtbank neergelegd, waarin zou zijn vastgesteld dat het besluit op bezwaar eerst op die datum is genomen.

Hetgeen [appellant] voor het overige heeft aangevoerd kan niet leiden tot het oordeel dat niet is voldaan aan de opdracht in de uitspraak van de rechtbank van 30 november 2005.

2.2. De rechtbank heeft het beroep van [appellant] tegen het uitblijven van een besluit op bezwaar dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard.

2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, voor zover aangevallen, te worden bevestigd.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. B. van Wagtendonk, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, leden, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Wagtendonk w.g. Van Heusden

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2008

163-530.