Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD6068

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-02-2008
Datum publicatie
02-07-2008
Zaaknummer
200708058/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 oktober 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Diemen (hierna: het college) het verzoek van [appellante] om een afschrift van het rapport van het onderzoek naar de omgang tussen haar en de Sociale Dienst Amsterdam afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200708058/1.

Datum uitspraak: 2 juli 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nr. 05/6037 van de rechtbank Amsterdam van 9 oktober 2007 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Diemen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 oktober 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Diemen (hierna: het college) het verzoek van [appellante] om een afschrift van het rapport van het onderzoek naar de omgang tussen haar en de Sociale Dienst Amsterdam afgewezen.

Bij uitspraak van 9 oktober 2007, verzonden op 10 oktober 2007, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het door [appellante] daartegen ingestelde rechtstreekse beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij faxbericht, bij de Raad van State ingekomen op 16 november 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 17 december 2007.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 20 december 2007 heeft [appellante] de toestemming verleend, bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 mei 2008, waar [appellante], in persoon en bijgestaan door mr. J.J.M.A. Poppelaars, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. J.M. van den Berg, advocaat te Amsterdam, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet achterwege voor zover dit persoonsgegevens betreft als bedoeld in paragraaf 2 van hoofdstuk 2 van de Wet bescherming persoonsgegevens (hierna: de Wbp), tenzij de verstrekking kennelijk geen inbreuk op de persoonlijke levenssfeer maakt.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder g, blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen het belang van het voorkómen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden.

Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Wob wordt in geval van een verzoek om informatie uit documenten, opgesteld ten behoeve van intern beraad, geen informatie verstrekt over daarin opgenomen persoonlijke beleidsopvattingen.

2.2. Het college heeft het verzoek van [appellante] om met toepassing van de Wob inzage te krijgen in het rapport afgewezen met, wat het eerste deel van het rapport betreft, een beroep op artikel 10, eerste lid, aanhef en onder d, en het tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob, en het tweede deel omdat dat is bestemd voor intern beraad en persoonlijke beleidsopvattingen bevat.

2.3. De rechtbank heeft overwogen dat het college reeds omdat het rapport is bedoeld voor intern beraad en persoonlijke beleidsopvattingen bevat, de verstrekking ervan terecht heeft geweigerd.

2.4. [appellante] heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte tot dit oordeel is gekomen. Met een verwijzing naar artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) en de uitspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens (hierna: het Hof) van 24 september 2002, nr. 39393/98, M.G. tegen het Verenigd Koninkrijk (NJB 2002, 43) betoogt zij dat zij recht heeft op inzage, nu het rapport haarzelf betreft. Haar verzoek had moeten worden toegewezen op grond van artikel 35 van de Wbp, aldus [appellante]. [appellante] stelt dat blijkens het besluit van 28 oktober 2005 één hoofdstuk feitelijke gegevens bevat. Bovendien heeft zij te kennen gegeven dat zij geen beroep doet op bescherming van haar persoonlijke levenssfeer en ziet zij niet in op welke wijze openbaarmaking leidt tot onevenredige bevoordeling of benadeling.

2.5. [appellante] heeft pas in hoger beroep een beroep gedaan op de toepasselijkheid van de Wbp teneinde inzage te verkrijgen in het rapport. In haar verzoek en haar beroep bij de rechtbank heeft zij uitdrukkelijk en uitsluitend verwezen naar de Wob. Reeds omdat het hoger beroep is gericht tegen de aangevallen uitspraak, er geen reden is waarom dit betoog niet reeds voor de rechtbank had kunnen worden aangevoerd en [appellante] dit uit een oogpunt van een zorgvuldig en doelmatig gebruik van rechtsmiddelen en omwille van de rechtszekerheid van de andere partijen omtrent hetgeen in geschil is, had behoren te doen, dient dit betoog buiten beschouwing te blijven. Overigens kan een betrokkene ingevolge artikel 35 van de Wbp weliswaar informatie verkrijgen over de verwerking van hem of haar betreffende persoonsgegevens, maar voorziet dit artikel niet in een recht op inzage van een document zoals het rapport.

2.5.1. De Afdeling heeft met toepassing van artikel 8:29 van de Awb kennis genomen van de stukken. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de bladzijden 31 tot en met 44 van het rapport zijn opgesteld voor intern beraad. Zij acht daarbij bepalend dat de opsteller, zoals blijkt uit het voorwoord en andere passages van het rapport, het rapport heeft bedoeld voor gebruik binnen de overheid, in het bijzonder het college en een kleine groep van de betrokken ambtenaren van de gemeente Diemen. Niet is gebleken dat het rapport op enige wijze buiten die kring is gebracht. Evenmin is gebleken dat sprake is van advisering of gestructureerd overleg waardoor het interne karakter van het beraad zou kunnen zijn komen te vervallen.

Dit deel van het rapport bevat een door de opsteller gekozen selectie van citaten uit beschikkingen en brieven aan de hand waarvan hij de ontstane situatie en zijn opvattingen daarover illustreert en een aantal aanbevelingen doet om die situatie te veranderen. Naar het oordeel van de Afdeling zijn dit persoonlijke beleidsopvattingen van de opsteller. Voor zover feiten zijn vermeld, zijn deze dermate nauw met de persoonlijke beleidsopvattingen verweven, dat het niet mogelijk is ze daarvan te scheiden en een ingekorte of objectieve versie van het rapport te verstrekken.

Het betoog van [appellante] dat haar op grond van artikel 8 van het EVRM en de hiervoor genoemde uitspraak van het Hof inzage moet worden verschaft, slaagt niet. De Afdeling overweegt daartoe dat, zoals zij reeds meermalen heeft overwogen, onder meer in haar uitspraak van 14 mei 2003 in zaak no. 200203532/1 (AB 2003, 241), het recht van openbaarmaking ingevolge de Wob uitsluitend het belang van een goede en democratische bestuursvoering dient. Het komt iedere burger in gelijke mate toe. Daarom kan geen onderscheid worden gemaakt naar de persoonlijke belangen en oogmerken van de verzoeker. De door [appellante] gestelde schending van haar persoonlijke levenssfeer, doordat haar verstrekking van het rapport wordt geweigerd, is een persoonlijk belang en kan derhalve niet worden betrokken bij de te verrichten belangenafweging in het kader van de Wob. De vergelijking met de genoemde uitspraak van het Hof, gaat, nog daargelaten dat in dat geval niet was voorzien in een wettelijke regeling omtrent de mogelijkheid tot inzage, niet op omdat voor zover het haar betreffende persoonsgegevens betreft, niet is bestreden dat zij daarover heeft beschikt of kan beschikken.

De rechtbank heeft derhalve met juistheid overwogen dat het college openbaarmaking van dit deel van het rapport met een beroep op artikel 11, eerste lid, van de Wob terecht heeft geweigerd.

2.5.2. Anders dan de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de bladzijden 1 tot en met 30, waarin een door de opsteller gekozen selectie van beschikkingen en brieven is opgenomen en een biografie, voor het grootste deel geen persoonlijke beleidsopvattingen bevatten. De daarin slechts schaars voorkomende persoonlijke beleidsopvattingen die op deze bladzijden zijn vermeld, zijn niet dermate nauw met de beschreven feiten verweven, dat het niet mogelijk is ze daarvan te scheiden en de feiten te verstrekken. Voorts bevatten deze bladzijden geen persoonsgegevens als bedoeld in artikel 10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wob. Het college heeft derhalve ten onrechte inzage geweigerd op grond van dit artikellid. Evenmin kan het college worden gevolgd in zijn standpunt dat openbaarmaking van dit deel van het rapport zal leiden tot onevenredige bevoordeling of benadeling van betrokkenen, zodat artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob voor dit deel van het rapport niet aan de weigering ten grondslag kon worden gelegd. Het college heeft in zijn verweerschrift bij de rechtbank zijn standpunt, dat het belang van openbaarmaking niet opweegt tegen het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, herzien, omdat [appellante] te kennen heeft gegeven dat zij geen beroep doet op bescherming van haar persoonlijke levenssfeer en te kennen gegeven dat het zich hier niet langer op beroept. De Afdeling merkt daarover op dat het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer niet alleen ziet op het persoonlijke belang van de indiener van het verzoek om informatie maar ook op dat van alle in het document genoemde personen.

Gelet op al het vorenstaande ontbeert de beslissing op bezwaar ten aanzien van de bladzijden 1 tot en met 30 een draagkrachtige motivering en komt zij in zoverre wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

2.6. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Afdeling het inleidende beroep alsnog gegrond verklaren voor zover dat betrekking heeft op de bladzijden 1 tot en met 30 van het rapport en het besluit van 28 oktober 2005 in zoverre vernietigen. Het college dient ten aanzien van dit deel een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

2.7. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 oktober 2007 in zaak nr. 05/6037;

III. verklaart het beroep gegrond, voor zover het betrekking heeft op de bladzijden 1 tot en met 30 van het rapport;

IV. vernietigt het besluit van het college van 28 oktober 2005, kenmerk B26059 in zoverre;

V. veroordeelt het college tot vergoeding van bij [appellante] (hierna: [appellante]) in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 666,99 (zegge: zeshonderzesenzestig euro en negenennegentig cent) en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 681,94 (zegge: zeshonderdeenentachtig euro en vierennegentig cent), waarvan € 1.288,00, is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Diemen aan [appellante] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VI. gelast dat de gemeente Diemen aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 352,00 (zegge: driehonderdtweeënvijftig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. W. Konijnenbelt en mr. W. van den Brink, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.C. van Tuyll van Serooskerken, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak w.g. Van Tuyll van Serooskerken

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2008

290.