Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD6057

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-06-2008
Datum publicatie
02-07-2008
Zaaknummer
200803314/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 augustus 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Liesveld (hierna: het college) een verzoek van [verzoeker] om toepassing van bestuurlijke handhavingmiddelen met betrekking tot de inrichting van de [maatschap] aan de [locatie] te [plaats] afgewezen.

Wetsverwijzingen
Besluit landbouw milieubeheer
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2010/595
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200803314/2.

Datum uitspraak: 23 juni 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoeker], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Liesveld,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 augustus 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Liesveld (hierna: het college) een verzoek van [verzoeker] om toepassing van bestuurlijke handhavingmiddelen met betrekking tot de inrichting van de [maatschap] aan de [locatie] te [plaats] afgewezen.

Bij besluit van 3 april 2008 heeft het college het door [verzoeker] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [verzoeker] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 april 2008, beroep ingesteld.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 april 2008, heeft [verzoeker] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 12 juni 2008, waar [verzoeker], in persoon en bijgestaan door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, en het college, vertegenwoordigd door C. Benschop, werkzaam bij de gemeente, en L. Treffers en D. Nelemans, werkzaam bij de Milieudienst Zuid-Holland Zuid, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. In voorschrift 1.1.3, onder a, van bijlage B bij het Besluit landbouw milieubeheer (hierna: het Besluit) zijn grenswaarden gesteld voor het piekniveau vanwege de vast opgestelde installaties en toestellen, alsmede door de verrichte werkzaamheden en activiteiten. In dit voorschrift, onder b, is bepaald dat de voor de dagperiode gestelde grenswaarden niet van toepassing zijn op laden en lossen, alsmede op het in en uit de inrichting rijden van landbouwtractoren of motorvoertuigen met beperkte snelheid.

2.3. [verzoeker] stelt dat het college heeft miskend dat de grenswaarden voor het piekniveau worden overschreden. Hij voert aan dat het college er bij de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende berekeningen ten onrechte van is uitgegaan dat het geluid vanwege het in en uit de inrichting rijden van landbouwtractoren of motorvoertuigen in dit geval buiten beschouwing moet blijven. Volgens hem is de snelheid van de voertuigen daarvoor te hoog. [verzoeker] voert verder aan dat het college er, nu ook bij de trillingberekeningen lage voertuigsnelheden zijn gehanteerd, ten onrechte van uitgaat dat de ingevolge voorschrift 1.1.5 van bijlage B bij het Besluit geldende grenswaarden voor trillingen in zijn woning niet worden overschreden.

2.4. Bij besluit van 17 maart 2008 heeft het college met betrekking tot de inrichting nadere eisen gesteld. In nadere eis 1.1.4 is bepaald dat bovenaan de stoep aan de Nieuwe Veer een bord geplaatst dient te worden, waarop is aangegeven dat de snelheid op de stoep maximaal 10 kilometer per uur mag bedragen. De snelheid van landbouwtractoren en motorvoertuigen die in en uit de inrichting rijden over de desbetreffende stoep, die tussen de inrichting en de woning van [verzoeker] is gelegen, dient ingevolge deze nadere eis aldus beperkt te zijn. Gelet daarop, alsmede op andere bij het besluit van 17 maart 2008 gestelde nadere eisen die een geluid- en trillingreducerend effect hebben, ziet de Voorzitter in dit stadium, bij afweging van de betrokken belangen, geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

2.5. De Voorzitter wijst het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. W.G. Timmerman, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd w.g. Timmerman

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2008

431.