Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD6056

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-06-2008
Datum publicatie
02-07-2008
Zaaknummer
200803315/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 maart 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Liesveld (hierna: het college) nadere eisen gesteld op grond van het Besluit landbouw milieubeheer met betrekking tot de inrichting van [de maatschap] (hierna: de maatschap) aan de [locatie] te [woonplaats].

Wetsverwijzingen
Besluit landbouw milieubeheer
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2010/596
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200803315/2.

Datum uitspraak: 23 juni 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoeker], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Liesveld,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 maart 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Liesveld (hierna: het college) nadere eisen gesteld op grond van het Besluit landbouw milieubeheer met betrekking tot de inrichting van [de maatschap] (hierna: de maatschap) aan de [locatie] te [woonplaats].

Tegen dit besluit heeft [verzoeker] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 april 2008, beroep ingesteld. Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 april 2008, heeft [verzoeker] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 12 juni 2008, waar [verzoeker], in persoon en bijgestaan door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, en het college, vertegenwoordigd door C. Benschop, werkzaam bij de gemeente, en L. Treffers en D. Nelemans, werkzaam bij de Milieudienst Zuid-Holland Zuid, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Ingevolge nadere eis 1.2.1, voor zover hier van belang, dient binnen drie maanden na het van kracht worden van het besluit een plan van aanpak ter beoordeling aan het bevoegd gezag te worden overgelegd waarin is omschreven welke maatregelen in de bedrijfsvoering zullen worden getroffen om de geluidbelasting tengevolge van de regelmatige terugkerende activiteiten uiterlijk op 6 december 2009 met 5 dB(A) te reduceren.

Ingevolge nadere eis 1.3.1 mag het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau, veroorzaakt door niet vast opgestelde bronnen, vanaf 6 december 2009 ter plaatse van de gevels de nabij gelegen woningen, niet meer bedragen dan 55, 50 en 45 dB(A) in onderscheidenlijk de dag-, avond- en nachtperiode.

2.3. Volgens het college doen zich in de inrichting regelmatig terugkerende activiteiten voor waarbij door niet vast opgestelde bronnen geluidimmissieniveaus tot 60 dB(A) worden veroorzaakt. Omdat in het Besluit landbouw milieubeheer (hierna: het Besluit) niet is voorzien in grenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau vanwege niet vast opgestelde bronnen, heeft het college aanleiding gezien hiervoor zelf grenswaarden te stellen. Het college acht het daarbij redelijk dat van de maatschap wordt gevergd dat de geluidbelasting voor 6 december 2009 met 5 dB(A) wordt gereduceerd.

2.4. [verzoeker] betoogt - samengevat weergegeven - dat de nadere eisen onvoldoende bescherming bieden tegen geluidhinder vanwege de inrichting. De gestelde grenswaarden zijn volgens hem te hoog, vooral omdat uit onderzoek is gebleken dat de geluidbelasting verder kan worden teruggebracht. Verder voert [verzoeker] aan dat de termijn tot 6 december 2009 te lang is. [verzoeker] voert ook aan dat de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde berekeningen niet representatief zijn.

2.5. Deze procedure leent zich niet voor beantwoording van de vraag of het college de nadere eisen 1.2.1 en 1.3.1 in redelijkheid heeft kunnen stellen. Het oordeel van de Afdeling zal moeten worden afgewacht.

Het college heeft bij het bestreden besluit, naast de nadere eisen 1.2.1 en 1.3.1, ook een aantal nadere eisen gesteld die een geluidreducerend effect hebben en die gelden totdat de uit het plan van aanpak voortvloeiende maatregelen zijn uitgevoerd. Gelet daarop ziet de Voorzitter in dit stadium, bij afweging van de betrokken belangen, geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

2.6. De Voorzitter wijst het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. W.G. Timmerman, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd w.g. Timmerman

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2008

431.