Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD5573

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-06-2008
Datum publicatie
26-06-2008
Zaaknummer
200803602/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vreemdelingenbewaring / schadevergoeding motiveren / ontbreken stukken / Procesregeling vreemdelingenkamers en 8:31 Awb

De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak vastgesteld dat de staatssecretaris niet heeft voldaan aan zijn verplichting op grond van de Procesregeling vreemdelingenkamers om binnen een nader genoemde termijn de op de zaak betrekking hebbende stukken aan haar toe te zenden. Nu zij daardoor niet in de gelegenheid is geweest om de rechtmatigheid van de maatregel te toetsen, heeft zij, gezien het bepaalde in artikel 8:31 van de Algemene wet bestuursrecht, het beroep gegrond geacht en de maatregel met onmiddellijke ingang opgeheven.

De rechtbank heeft aldus uitdrukkelijk niet geoordeeld of en zo ja, met ingang van welke dag, de maatregel van bewaring onrechtmatig is. Nu zij daarbij evenmin heeft gemotiveerd waarom zij geen gronden aanwezig heeft geacht om schadevergoeding toe te kennen, slaagt de grief.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:31
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 106
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2008/304
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200803602/1

Datum uitspraak: 19 juni 2008

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[appellant],

appellant,

tegen de uitspraak in zaak nr. 08/15786 van de rechtbank 's Gravenhage van 14 mei 2008 in het geding tussen:

[appellant]

en

de staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 mei 2008 is [appellant] (hierna: de vreemdeling) in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 14 mei 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank ’s Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van die dag bevolen en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 19 mei 2008, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. In de enige grief klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte geen gronden aanwezig heeft geacht om een schadevergoeding toe te kennen. Aangezien volgens de rechtbank de rechtmatigheid van de bewaring niet getoetst kan worden, bestaat volgens hem de mogelijkheid dat de bewaring van meet af aan onrechtmatig is.

2.1.1. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak vastgesteld dat de staatssecretaris niet heeft voldaan aan zijn verplichting op grond van de Procesregeling vreemdelingenkamers om binnen een nader genoemde termijn de op de zaak betrekking hebbende stukken aan haar toe te zenden. Nu zij daardoor niet in de gelegenheid is geweest om de rechtmatigheid van de maatregel te toetsen, heeft zij, gezien het bepaalde in artikel 8:31 van de Algemene wet bestuursrecht, het beroep gegrond geacht en de maatregel met onmiddellijke ingang opgeheven.

2.1.2. De rechtbank heeft aldus uitdrukkelijk niet geoordeeld of en zo ja, met ingang van welke dag, de maatregel van bewaring onrechtmatig is. Nu zij daarbij evenmin heeft gemotiveerd waarom zij geen gronden aanwezig heeft geacht om schadevergoeding toe te kennen, slaagt de grief.

2.2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Afdeling zal de zaak naar de rechtbank terugwijzen om door haar te worden behandeld en beslist met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.

2.3. De Afdeling zal de proceskosten in hoger beroep vaststellen. De rechtbank dient omtrent de vergoeding van deze kosten te beslissen.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 14 mei 2008 in zaak nr. 08/15786;

III. wijst de zaak naar de rechtbank terug;

IV. stelt de door de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte kosten vast op een bedrag van € 322,00 (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro), en bepaalt dat de rechtbank beslist omtrent de vergoeding van deze kosten.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. M.A.A. Mondt Schouten en mr. P.B.M.J. van der Beek Gillessen, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.A. Snijders, ambtenaar van Staat.

w.g. Troostwijk

voorzitter

w.g. Snijders

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2008

279

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak