Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD5503

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-06-2008
Datum publicatie
26-06-2008
Zaaknummer
200803052/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Asiel / onjuiste lezing van eerdere uitspraak/ ne bis in idem

In de uitspraak van 1 maart 2007 heeft de rechtbank overwogen dat de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister) zich in het besluit van 13 juli 2006 in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat het ontbreken van documenten haar niet kan worden toegerekend. Voorts heeft zij overwogen dat de minister voldoende steekhoudende argumenten heeft aangedragen om het asielrelaas van de vreemdeling ongeloofwaardig te achten. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de minister in het besluit van 13 juli 2006 weliswaar niet langer handhaaft dat op basis van het rapport taalanalyse geconcludeerd kan worden dat de vreemdeling niet uit Somalië afkomstig is, maar wel dat zij niet van de Reer Hamarclan is. Voorts overweegt zij dat, waar de onderzochte kopieën van het paspoort en de identiteitskaart kopieën blijken te zijn van authentieke door de Keniaanse autoriteiten afgegeven documenten, de minister ernstige twijfels heeft kunnen houden bij de door de vreemdeling gestelde Somalische nationaliteit en identiteit. Met betrekking op het in die procedure gedane beroep op het categoriale beschermingsbeleid inzake Somalië heeft de rechtbank overwogen dat de vreemdeling daarvoor niet in aanmerking komt omdat zij haar nationaliteit niet aannemelijk heeft gemaakt.

Gelet hierop berusten de overwegingen van de voorzieningenrechter op onjuiste lezing van de uitspraak van 1 maart 2007.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200803052/1.

Datum uitspraak: 16 juni 2008

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak nrs. 08/6175 en 08/6176 van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Arnhem, van 17 april 2008 in het geding tussen:

[de vreemdeling], mede voor haar minderjarige kinderen

en

de staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 februari 2008 heeft de staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) een aanvraag van [de vreemdeling], mede voor haar minderjarige kinderen, (hierna: de vreemdeling) om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 17 april 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Arnhem (hierna: de voorzieningenrechter), voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 24 april 2008, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. In de grieven betoogt de staatssecretaris dat, samengevat weergeven, de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat, gelet op de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats 's Hertogenbosch (hierna: de rechtbank), van 1 maart 2007 (hierna: de uitspraak van 1 maart 2007), hij zich in het besluit van 20 februari 2008 niet zonder nadere motivering op het standpunt heeft kunnen stellen dat de herkomst van de vreemdeling nog steeds ongeloofwaardig wordt geacht. Voorts heeft de voorzieningenrechter volgens de staatssecretaris ten onrechte overwogen dat niet langer kan worden volgehouden dat de dochter van de vreemdeling bij terugkeer naar haar land van herkomst geen gevaar loopt te worden onderworpen aan een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, nu met de uitspraak van 1 maart 2007 is komen vast te staan dat de vreemdeling afkomstig is uit Somalië. Volgens de staatssecretaris berusten deze overwegingen op een verkeerde lezing van de uitspraak van 1 maart 2007.

2.1.1. De vreemdeling heeft eerder op 17 mei 2003 een aanvraag ingediend om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Bij besluit van 13 juli 2006 is deze aanvraag afgewezen. Het beroep tegen dit besluit is bij de uitspraak 1 maart 2007 ongegrond verklaard. Deze uitspraak is door de Afdeling bij uitspraak van 27 april 2007 bevestigd, zodat het besluit van 13 juli 2006 in rechte onaantastbaar is geworden.

Op 14 februari 2008 heeft de vreemdeling opnieuw een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.

2.1.2. Uit de jurisprudentie van de Afdeling (zie onder meer de uitspraak van 6 maart 2008 in zaak nr. 200706839/1, www.raadvanstate.nl) vloeit voort dat, indien na een eerder afwijzend besluit een besluit van gelijke strekking wordt genomen, door het instellen van beroep tegen het laatste besluit niet kan worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst, als ware het een eerste afwijzing. Dit uitgangspunt geldt niet alleen voor besluiten genomen naar aanleiding van een nieuwe aanvraag, maar ook voor besluiten op een verzoek om terug te komen van een al dan niet op aanvraag genomen besluit (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2005 in zaak nr. 200406320/1, www.raadvanstate.nl). Slechts indien en voor zover in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan, kunnen dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen door de bestuursrechter worden getoetst.

2.1.3. Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en derhalve behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder gestelde feiten of omstandigheden, die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan is niettemin geen sprake van feiten of omstandigheden die een hernieuwde rechterlijke toetsing rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd aan het eerdere besluit kan afdoen.

2.1.4. Aan de aanvraag van 14 februari 2008 heeft de vreemdeling ten grondslag gelegd dat zij is bevallen van een dochter en vreest dat haar dochter bij terugkeer naar Somalië zal worden besneden. Voorts heeft zij gesteld dat tijdens haar verblijf in Nederland suikerziekte bij haar is vastgesteld en dat zij daarvoor in Somalië niet de noodzakelijke behandeling kan krijgen. Tevens heeft de vreemdeling aan haar herhaalde aanvraag ten grondslag gelegd dat zij vanwege verslechtering van de algemene situatie in Somalië niet in staat is geweest om documenten in haar bezit te krijgen waarmee zij haar nationaliteit en identiteit kan aantonen.

2.1.5. De grieven slagen. In de uitspraak van 1 maart 2007 heeft de rechtbank overwogen dat de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister) zich in het besluit van 13 juli 2006 in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat het ontbreken van documenten haar niet kan worden toegerekend. Voorts heeft zij overwogen dat de minister voldoende steekhoudende argumenten heeft aangedragen om het asielrelaas van de vreemdeling ongeloofwaardig te achten. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de minister in het besluit van 13 juli 2006 weliswaar niet langer handhaaft dat op basis van het rapport taalanalyse geconcludeerd kan worden dat de vreemdeling niet uit Somalië afkomstig is, maar wel dat zij niet van de Reer Hamarclan is. Voorts overweegt zij dat, waar de onderzochte kopieën van het paspoort en de identiteitskaart kopieën blijken te zijn van authentieke door de Keniaanse autoriteiten afgegeven documenten, de minister ernstige twijfels heeft kunnen houden bij de door de vreemdeling gestelde Somalische nationaliteit en identiteit. Met betrekking op het in die procedure gedane beroep op het categoriale beschermingsbeleid inzake Somalië heeft de rechtbank overwogen dat de vreemdeling daarvoor niet in aanmerking komt omdat zij haar nationaliteit niet aannemelijk heeft gemaakt.

Gelet hierop berusten de overwegingen van de voorzieningenrechter op onjuiste lezing van de uitspraak van 1 maart 2007.

2.2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, overweegt de Afdeling het volgende.

2.3. De vreemdeling heeft aan haar aanvraag geen bewijsstukken van haar gestelde Somalische nationaliteit en identiteit ten grondslag gelegd. Wat het gestelde met betrekking tot haar dochter betreft, geldt dat deze is geboren op 15 april 2006, derhalve vóór het besluit van 13 juli 2006. De omstandigheid, dat zij vreest voor besnijdenis van haar dochter, kon derhalve in de vorige procedure reeds worden beoordeeld. De omstandigheid dat de vreemdeling lijdt aan suikerziekte is door haar in de bestuurlijke fase van de vorige procedure aan de orde gesteld en betreft derhalve evenmin een nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid als hiervoor bedoeld. Niet is aangetoond dat haar gezondheidstoestand inmiddels is verslechterd.

2.4. Nu in hetgeen is aangevoerd derhalve geen nieuw gebleken feiten of omstandigheden zijn gelegen en zich evenmin een relevante wijziging van het recht voordoet en voorts niet is aangevoerd dat sprake is van bijzondere feiten en omstandigheden, als bedoeld in rechtsoverweging 45 van het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 19 februari 1998 in zaak nr. 145/1996/764/965, Bahaddar tegen Nederland (JV 1998/45), is er voor rechterlijke toetsing van het besluit van 20 februari 2008 geen plaats en zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 20 februari 2008 ongegrond verklaren.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Arnhem, van 17 april 2008 in zaak nr. 08/6175;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. D. Roemers, leden, in tegenwoordigheid van mr. Z.N. Kammeraat, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter

w.g. Kammeraat

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 juni 2008

295.

Verzonden: 16 juni 2008

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak