Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD5394

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-06-2008
Datum publicatie
25-06-2008
Zaaknummer
200706994/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 mei 2005 heeft de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (hierna: de minister) de bij besluit van 2 oktober 2002, gewijzigd bij besluit van 23 oktober 2002, aan [appellant] krachtens de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer verleende subsidie met ingang van 1 februari 2005 verlaagd.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 7:2
Algemene wet bestuursrecht 4:50
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2008/179
JOM 2008/645
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200706994/1.

Datum uitspraak: 25 juni 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nr. 05/1285 van de rechtbank Assen van 21 augustus 2007 in het geding tussen:

appellant

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.

1. Procesverloop

Bij besluit van 4 mei 2005 heeft de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (hierna: de minister) de bij besluit van 2 oktober 2002, gewijzigd bij besluit van 23 oktober 2002, aan [appellant] krachtens de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer verleende subsidie met ingang van 1 februari 2005 verlaagd.

Bij besluit van 19 oktober 2005 heeft de minister het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 21 augustus 2007, verzonden op 23 augustus 2007, heeft de rechtbank Assen (hierna: de rechtbank), voor zover thans van belang, het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, doch bepaald dat de rechtsgevolgen ervan in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 oktober 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 24 oktober 2007.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 april 2008, waar [appellant], vertegenwoordigd door ir. S. Boonstra, werkzaam bij LTO Noord Advies, en de minister, vertegenwoordigd door mr. R.A.M. Verheyden, ambtenaar in dienst van het ministerie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De minister heeft aan [appellant] subsidie verleend voor het beheer van twee beheersgebieden. De subsidie is verleend voor zes jaren, ingaande op 1 februari 2002. Bij het besluit van 4 mei 2005 heeft de minister de aan [appellant] verleende subsidie met ingang van 1 februari 2005 verlaagd, waardoor het totale bedrag over het subsidietijdvak wordt gewijzigd van € 81.717,60 naar € 76.868,94. Hieraan heeft de minister ten grondslag gelegd dat de subsidie, naar hem later is gebleken, gedeeltelijk in strijd met Verordening (EG) nr. 1257/1999 (hierna: de Kaderverordening) is verleend, nu daarin een probleemgebiedenvergoeding is opgenomen, terwijl de door [appellant] beheerde percelen grotendeels buiten de aangewezen probleemgebieden liggen.

2.2. Niet in geschil is dat de verleende subsidie in strijd is met de Kaderverordening, voor zover daarbij een probleemgebiedenvergoeding is verleend voor de perceelsgedeelten die buiten de probleemgebieden liggen. Anders dan [appellant] betoogt, heeft de rechtbank terecht en op goede gronden overwogen dat het vertrouwensbeginsel er op zichzelf in dit geval niet aan in de weg staat dat de minister de subsidieverlening met toepassing van artikel 4:50, eerste lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) wijzigt. Dat de minister de toeslag voor het uitrijden van ruige stalmest gedurende het subsidietijdvak ongewijzigd heeft gelaten, zoals [appellant] heeft gesteld, doet hieraan niet af, reeds omdat deze toeslag geen basis heeft in de Kaderverordening en daarmee derhalve niet in strijd is.

2.3. Hoewel de minister de verleende subsidie bij besluit van 4 mei 2005 met ingang van 1 februari 2005 heeft gewijzigd, heeft hij [appellant] reeds bij brief van 13 december 2004 van het voornemen van de wijziging in kennis gesteld. Niet in geschil is dat aldus met ingang van die dag de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 4:50, eerste lid, van de Awb, waarbinnen betrokkene de tijd moet worden gegund om verplichtingen die deze jegens derden is aangegaan op zorgvuldige wijze af te wikkelen, is aangevangen.

[appellant] heeft gesteld dat hij de pachtovereenkomst met de Vereniging tot behoud van Natuurmonumenten (hierna: Natuurmonumenten), die een vereiste was voor subsidieverlening, is aangegaan in de veronderstelling dat de hoogte van de aan hem verleende subsidie niet zou worden gewijzigd en dat het wijzigen van de verleende subsidie tot gevolg heeft dat het rendement op de gepachte grond lager is dan aanvankelijk het geval was.

De verlaging van het rendement door de subsidieverlaging is evenwel beperkt. Onder deze omstandigheden heeft de rechtbank in het gestelde terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat de door de minister gehanteerde termijn onredelijk kort is.

2.4. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen van het in beroep bestreden besluit in stand heeft gelaten, nu hij, doordat hij ten onrechte niet is gehoord in het kader van het door hem gemaakte bezwaar, onvoldoende in de gelegenheid is geweest om de door hem gestelde schade als gevolg van het verlagen van de verleende subsidie toereikend toe te lichten.

2.4.1. De rechtbank heeft overwogen dat [appellant] in bezwaar geen schade, als bedoeld in artikel 4:50, tweede lid, van de Awb, heeft gesteld en op vergoeding daarvan aanspraak gemaakt. Zij heeft voorts overwogen dat [appellant], hoewel hij ten onrechte niet in bezwaar is gehoord en het besluit van 19 oktober 2005 daarom voor vernietiging in aanmerking komt, in beroep alsnog alles naar voren heeft kunnen brengen, wat hij van belang achtte en daarbij de aanspraak op schadevergoeding op geen enkele wijze nader heeft onderbouwd en daarom bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

De bezwaarfase biedt echter bij uitstek de gelegenheid om schade te stellen en aannemelijk te maken. De hoorzitting is daarbij in beginsel onontbeerlijk. Uit het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting bij de rechtbank valt voorts niet af te leiden dat in beroep alle aspecten die van belang kunnen zijn bij het vaststellen of schade is geleden en de aard en omvang daarvan, naar voren zijn gekomen. Door ter zitting bij de rechtbank te betogen dat hij de pachtovereenkomst met Natuurmonumenten is aangegaan in de verwachting dat de hoogte van de hem verleende beheerssubsidie niet zou worden gewijzigd en hij, indien hij zou hebben geweten dat een lagere subsidie zou worden verleend, de pachtovereenkomst mogelijk niet zou zijn aangegaan, heeft [appellant] een niet onaannemelijk begin gemaakt met het stellen van schade. Gelet hierop, is [appellant] ten onrechte niet de gelegenheid geboden om alsnog in bezwaar schade te stellen en aannemelijk te maken. De rechtbank heeft de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit ten onrechte in stand gelaten. Het betoog slaagt.

2.5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, doch slechts voor zover de rechtsgevolgen van het door de rechtbank vernietigde besluit daarbij in stand zijn gelaten. De minister dient een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

2.6. De minister dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Assen van 21 augustus 2007 in zaak nr. 05/1285, doch slechts voor zover de rechtsgevolgen van het bij de rechtbank vernietigde besluit daarbij in stand zijn gelaten;

III. veroordeelt de minister tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro) geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit) aan [appellant] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

IV. gelast dat de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit) aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 214,00 (zegge: tweehonderdveertien euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, en mr. W. Konijnenbelt en mr. R.R. Winter, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Dallinga

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 juni 2008

18-502.