Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD5390

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-06-2008
Datum publicatie
25-06-2008
Zaaknummer
200705635/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 juni 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Gelderland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Ubbergen (hierna: de raad) bij besluit van 1 februari 2007 vastgestelde bestemmingsplan "De Sterrenberg" (hierna: het plan).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200705635/1.

Datum uitspraak: 25 juni 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], beiden wonend te [woonplaats]

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 5 juni 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Gelderland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Ubbergen (hierna: de raad) bij besluit van 1 februari 2007 vastgestelde bestemmingsplan "De Sterrenberg" (hierna: het plan).

Tegen dit besluit hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 augustus 2007, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 augustus 2007.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft het college van burgemeester en wethouders van Ubbergen een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 mei 2008, waar [appellanten] in persoon en bijgestaan door mr. E.H.M. Harbers, advocaat te Arnhem, en het college, vertegenwoordigd door C.J.T.S. Weijers MSc, ambtenaar in dienst van de provincie, zijn verschenen.

Voorts is daar gehoord, de raad, vertegenwoordigd door drs. M.A. Wijnen, ambtenaar in dienst van de gemeente.

2. Overwegingen

2.1. Het plan voorziet in een planologische regeling voor het bouwen van een landhuis, op de plaats van een te slopen voormalig pannenkoekenrestaurant aan de Sterrenberg. Het plan voorziet tevens in de verplaatsing van een uitkijktoren die deel uit maakt van het pannenkoekenrestaurant, naar een andere plaats binnen het plangebied. Ook wordt de loop van wandelpaden vastgelegd.

2.2. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht, rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.3. Volgens [appellanten] wordt door het college ten onrechte gesteld dat de locatie van de uitkijktoren gekozen is na intensief overleg tussen de betrokken partijen.

2.3.1. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat relevant is of het plan uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening aanvaardbaar is. Overeenstemming over de locatie van de uitkijktoren met belanghebbenden is geen voorwaarde om een bestemmingsplan in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening te kunnen achten. Er bestaat ook geen algemene wettelijke verplichting tot het voeren van overleg met alle belanghebbenden bij het voorbereiden van een bestemmingsplan. Dit betekent dat het betoog niet kan leiden tot een vernietiging van het bestreden besluit.

2.4. [appellanten] vrezen dat verplaatsing van de uitkijktoren naar de met het plan beoogde locatie tot onaanvaardbare schending van hun privacy zal leiden. De driedimensionale studie naar de mate van overlast geeft een geflatteerd beeld van de nieuwe situatie, aldus [appellanten].

Voorts betwijfelen [appellanten] of de uitkijktoren wel van cultuurhistorische waarde is, aangezien de gemeente nooit moeite heeft genomen de uitkijktoren te onderhouden.

2.4.1. Bij de beantwoording van de zienswijze van [appellanten] stelt de raad dat de mate van overlast als beperkt dient te worden beschouwd. Bij de afweging is door de raad van belang geacht dat de uitkijktoren als erfgoed van de kern Beek-Ubbergen het behouden waard is en dat hij na de verplaatsing zal worden aangewezen als gemeentelijk monument. De uitkijktoren is volgens de raad zo ver mogelijk van de woning van [appellanten] geplaatst, zodat deze bij realisering van het plan op ongeveer 38 meter afstand van het perceel van [appellanten] zal staan. De afstand tot hun woonhuis zal dan 54 meter zijn. De uitkijktoren wordt grotendeels afgeschermd door het bestaande bomenbestand. Er is een driedimensionale studie verricht naar de mate van overlast door aantasting van het uitzicht en inbreuk op de privacy, waarbij de bestaande beplanting wel maar eventuele toekomstige beplanting niet is verwerkt in de visuele analyse.

In de schriftelijke uiteenzetting stelt de raad dat sprake zal zijn van een beperkte openstelling van de uitkijktoren, dat dit in een privaatrechtelijke overeenkomst met de initiatiefnemer is vastgelegd en dat eveneens in een privaatrechtelijke overeenkomst tussen de gemeente en de initiatiefnemer is vastgelegd dat in overleg met [appellanten] omzomende mantel- of haagbeplanting wordt aangebracht. Ter zitting heeft de raad in dit verband onweersproken gesteld dat in de desbetreffende overeenkomst een kettingbeding is opgenomen.

2.4.2. De gronden waarop de uitkijktoren gebouwd kan worden heeft de bestemming "Waardevolle tuin" met de nadere aanduiding "uitkijktoren". De bouwhoogte van deze uitkijktoren mag ingevolge de planvoorschriften niet meer bedragen dan 20 meter.

De gronden tussen de uitkijktoren en het perceel van [appellanten] hebben in het plan grotendeels de bestemming "Bos en natuur".

2.4.3. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de uitkijktoren, gelet op de culturele waarde, het behouden waard is. Dat de uitkijktoren al langere tijd niet meer in gebruik is en tot op heden niet op de gemeentelijke monumentenlijst staat maakt dat niet anders. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de raad ter zitting in dit verband onweersproken heeft gesteld dat in de regio oorspronkelijk zeven soortgelijke uitkijktorens hebben gestaan en dat deze de enige is die is overgebleven. Van belang is verder dat de uitkijktoren volgens de raad zal worden gerestaureerd en zal worden aangewezen als gemeentelijk monument.

[appellanten] hebben verder niet aannemelijk gemaakt dat de driedimensionale studie een geflatteerd beeld geeft van de mate van overlast die zij bij realisering van het plan zullen ondervinden. Het college heeft voorts in redelijkheid betekenis kunnen toekennen aan de beperkte openstelling van de uitkijktoren van ten hoogste 12 dagen per jaar en de afstand van 38 meter tot het perceel van [appellanten] en 54 meter tot hun woonhuis. Deze beperkte openstelling is door een privaatrechtelijke overeenkomst voldoende gewaarborgd. Voorts wordt in aanmerking genomen dat de bestemming "Bos en natuur" van de gronden tussen het perceel van [appellanten] en de uitzichttoren ruime mogelijkheden biedt voor afschermende beplanting en dat, gelet op de privaatrechtelijke overeenkomst tussen de gemeente en de initiatiefnemer, voldoende zekerheid bestaat dat deze beplanting zal worden aangebracht.

Gelet hierop heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een ernstige aantasting van de privacy van [appellanten] zich niet zal voordoen.

2.5. [appellanten] stellen verder dat handhaving van de uitkijktoren op de oorspronkelijke plaats of anders aan de zijde van de wandelroute N70 geschikter is. Ten onrechte zijn volgens hen de bedenkingen met betrekking tot dit alternatief door het college buiten beschouwing gelaten.

2.5.1. Dat het college niet op het door [appellanten] aangedragen alternatief is ingegaan leidt niet tot het oordeel dat het bestreden besluit daarom vernietigd moet worden. Het bestaan van alternatieven kan op zichzelf immers geen grond vormen voor het onthouden van goedkeuring aan het plan. Het karakter van de besluitvorming omtrent de goedkeuring brengt mee dat alternatieven daarbij in beginsel eerst aan de orde behoeven te komen indien blijkt van ernstige bezwaren tegen het voorgestane gebruik waarop het plan ziet. Er bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich, gelet op hetgeen in de voorgaande rechtsoverwegingen is overwogen met betrekking tot de gevolgen van de gekozen locatie van de uitkijktoren, niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat deze situatie zich in dit geval niet voordoet.

2.6. [appellanten] stellen verder dat het in het plan opgenomen wandelpad dat dicht langs hun perceel loopt, gelet op het hoogteverschil ter plaatse, leidt tot onaanvaardbare aantasting van hun woon- en leefklimaat door inkijk in hun tuin.

2.6.1. Er bestaat in hetgeen [appellanten] op dit punt aangevoerd hebben geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het desbetreffende wandelpad niet zal leiden tot een ernstige aantasting van het woon- en leefklimaat van [appellanten].

Het college heeft daarbij in aanmerking kunnen nemen dat directe inkijk vanaf dit wandelpad in de tuin of woning niet plaats zal vinden omdat dit pad aan de zuidzijde verdiept wordt aangelegd, omdat nu al een forse groene afscherming aanwezig is op het perceel van [appellanten] en omdat in de strook met de bestemming "Bos en natuur", welke ter plaatse minimaal 10 tot 15 meter breed is, krachtens de privaatrechtelijke overeenkomst tussen de gemeente en de initiatiefnemer nog aanvullende beplanting zal worden aangelegd.

2.7. De conclusie is dat hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B.C. Bošnjaković, ambtenaar van Staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Bošnjaković

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 juni 2008

410-547.