Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD5387

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-06-2008
Datum publicatie
25-06-2008
Zaaknummer
200708299/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 oktober 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Lelystad (hierna: het college) aan [vergunninghouder] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor houtbewerking, restauratie- en reconstructiewerkzaamheden voor schepen, gebouwen en dergelijke op het perceel [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 18 oktober 2007 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet geluidhinder
Wet geluidhinder 1
Wet geluidhinder 53
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.8
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2010/580
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200708299/1.

Datum uitspraak: 25 juni 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Lelystad,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 oktober 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Lelystad (hierna: het college) aan [vergunninghouder] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor houtbewerking, restauratie- en reconstructiewerkzaamheden voor schepen, gebouwen en dergelijke op het perceel [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 18 oktober 2007 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben [appellanten] (hierna: [appellanten]) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 november 2007, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 januari 2008.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 juni 2008, waar [appellanten], vertegenwoordigd door mr. E.M. van Bennekom, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand, en het college, vertegenwoordigd door mr. K.D. Vladimirova-Dimitrova en mr. J. Bos, beiden ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het college heeft ter zitting betoogd dat voor de bij het bestreden besluit vergunde activiteiten geen vergunning meer is vereist aangezien inmiddels het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: het Activiteitenbesluit) in werking is getreden. In verband daarmee zouden [appellanten] geen belang meer hebben bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit.

2.1.1. Op 1 januari 2008 zijn het Activiteitenbesluit en de daarmee samenhangende wijziging van artikel 8.1 van de Wet milieubeheer in werking getreden.

Door deze gewijzigde regelgeving vervalt de vergunningplicht voor inrichtingen waartoe geen zogenoemde gpvb-installatie behoort, voor zover de inrichting niet behoort tot de categorieën van inrichtingen die zijn vermeld op de lijst die bij het Activiteitenbesluit is opgenomen als bijlage 1.

2.1.2. Niet in geschil is dat de inrichting geen gpvb-installaties omvat. De aanvraag die aan het bestreden besluit ten grondslag ligt en die van de verleende vergunning deel uitmaakt, maakt wat de te behandelen schepen betreft geen onderscheid tussen pleziervaartuigen en schepen voor de beroepsvaart. In verband daarmee moet worden geconcludeerd dat mede vergunning is gevraagd en verleend voor het onderhouden, repareren en het behandelen van de oppervlakte van schepen voor de beroepsvaart als bedoeld in de in bijlage 1, aanhef en onder w, van het Activiteitenbesluit vermelde categorie. Dit betekent dat [appellanten] nog belang hebben bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit.

2.2. Volgens [appellanten] is bij de voorbereiding van het besluit ten onrechte geen rekening gehouden met hun woonschip, dat op 40 meter van de inrichting is gelegen en volgens hen een hindergevoelig object is. Omdat in de directe omgeving van de inrichting al diverse geluidproducerende bedrijven aanwezig zijn, had huns inziens ook rekening moeten worden gehouden met cumulatie van geluid, hetgeen ten onrechte is nagelaten.

2.2.1. De inrichting is gelegen op het industrieterrein "Noordersluis", waaromheen krachtens artikel 53 van de Wet geluidhinder een zone is vastgesteld. De desbetreffende woonboot is gelegen binnen de zone.

Ingevolge artikel 8.8, derde lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer, voor zover hier van belang, moeten de grenswaarden uit de artikelen 40, 44 tot en met 47, 50, 51, 53 tot en met 56, 59 tot en met 61, 63, tweede lid , 64, 65 of 66, van de Wet geluidhinder in acht worden genomen bij de beslissing op de aanvraag om vergunning krachtens de Wet milieubeheer. Deze grenswaarden hebben betrekking op de geluidbelasting die buiten de zone mag optreden en op de geluidbelasting die mag optreden bij binnen de zone gelegen woningen, andere gebouwen dan woningen alsmede andere geluidgevoelige objecten.

2.2.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 9 mei 2007 in zaak nr. 200609072/1) is een woonboot geen geluidgevoelig object in de zin van de Wet geluidhinder, kan de geluidbelasting bij een dergelijk, binnen de zone gelegen, object, niet bepalend zijn voor de beslissing op een aanvraag om een vergunning voor een inrichting op het gezoneerd industrieterrein en kan de geluidbelasting daar geen grond vormen voor weigering van een dergelijke vergunning omdat dit zou leiden tot doorkruising van de Wet geluidhinder. Met de Wet geluidhinder is een uitputtende regeling beoogd ten aanzien van geluidgevoelige objecten waaraan bescherming toekomt tegen geluidhinder in de gevallen waarop de Wet milieubeheer ziet. Het beroep faalt in zoverre.

2.3. [appellanten] betogen voorts dat de aanwezigheid van de inrichting zich niet verdraagt met het ter plaatse geldende bestemmingsplan. Deze beroepsgrond heeft evenwel geen betrekking op het belang van de bescherming van het milieu in de zin van artikel 8.10 van de Wet milieubeheer en kan reeds om die reden niet slagen.

2.4. Het beroep is ongegrond.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. C.W. Mouton, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, ambtenaar van Staat.

w.g. Mouton w.g. Sparreboom

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 juni 2008

195-209.