Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD5382

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-06-2008
Datum publicatie
25-06-2008
Zaaknummer
200706742/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 juli 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Brielle (hierna: het college) geweigerd aan [appellante] vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor de oprichting van een kas op het perceel [locatie].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200706742/1.

Datum uitspraak: 25 juni 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [plaats], waarvan de vennoten zijn [vennoten], beiden wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nr. 07/1471 van de rechtbank Rotterdam van 13 augustus 2007 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Brielle.

1. Procesverloop

Bij besluit van 4 juli 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Brielle (hierna: het college) geweigerd aan [appellante] vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor de oprichting van een kas op het perceel [locatie].

Bij besluit van 9 maart 2007 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 13 augustus 2007, verzonden op 14 augustus 2007, heeft de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 september 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 oktober 2007.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 mei 2008, waar [appellante], bijgestaan door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, en het college, vertegenwoordigd door P. van der Eijk, ambtenaar in dienst van de gemeente, en bijgestaan door mr. C.J.R. van Binsbergen, advocaat te Alphen aan de Rijn, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Op grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Landelijk gebied Vierpolders" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "Agrarische doeleinden met de nadere aanduiding concentratie glastuinbouw met een maximale goothoogte van 4 m".

Ingevolge artikel 10, derde lid en onder i, van de planvoorschriften, voor zover van belang, mag de goothoogte van kassen niet meer bedragen dan 4.35 m en de bouwhoogte niet meer dan 6.00 m.

Ingevolge artikel 10, zevende lid, van de planvoorschriften, voor zover van belang, kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bepaalde in lid 3, onder i, met inachtneming van het volgende:

a. de bouwhoogte van kassen mag worden vergroot tot maximaal 8.00 m.

2.2. Het bouwplan is voor wat betreft de bouw- en goothoogte in strijd met het bestemmingsplan. Het college heeft geweigerd daarvoor vrijstelling te verlenen met toepassing van artikel 10, zevende lid en onder a, van de planvoorschriften onder verwijzing naar het door de raad van de gemeente Brielle (hierna: de gemeenteraad) op 9 mei 2006 genomen voorbereidingsbesluit tot herziening van het bestemmingsplan.

2.3. [appellante] betoogt dat de bouwaanvraag ruim voor het voorbereidingsbesluit is ingediend, zodat daaraan in deze procedure geen betekenis kan worden toegekend.

2.3.1. Dit betoog mist feitelijke grondslag, nu uit de in het dossier aanwezige bouwaanvraag blijkt dat deze op 7 juni 2006 bij het college is binnengekomen, derhalve na 9 mei 2006. De in de uitspraak van de rechtbank vermelde datum van 23 juni 2004 in plaats van 7 juni 2006 moet als een kennelijke verschrijving worden aangemerkt. Geconcludeerd kan worden dat de rechtbank in ieder geval terecht tot het oordeel is gekomen dat het voorbereidingsbesluit wel betekenis had voor de in geding zijnde bouwvergunning.

2.4. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat het college in redelijkheid heeft kunnen weigeren vrijstelling te verlenen voor het bouwplan, zodat bouwvergunning had moeten worden verleend. Voorts stelt [appellante] dat de rechtbank heeft miskend dat het college de te honoreren verwachting heeft gewekt dat vrijstelling en derhalve bouwvergunning zou worden verleend.

2.4.1. In het door de gemeenteraad vastgestelde voorbereidingsbesluit is opgenomen dat het toekomstige planologische beleid is gericht op het saneren van glastuinbouwbedrijven. Bij uitspraak van heden, in zaaknr. 200706746/1, is dat besluit onherroepelijk geworden. Anders dan [appellante] heeft betoogd is de rechtbank terecht van de rechtmatigheid van het voorbereidingsbesluit uitgegaan.

Zoals ook uit de uitspraak van de Afdeling van 14 januari 2004, in zaak nr. 200304263/1, blijkt, kan een weigering vrijstelling te verlenen zijn gebaseerd op toekomstige planologische ontwikkelingen die zijn neergelegd in een voorbereidingsbesluit. Niet valt in te zien dat het college in dit geval de weigering vrijstelling te verlenen niet kon baseren op de toekomstige planologische ontwikkelingen van het landelijk gebied van Brielle, waaronder begrepen het saneren van glas, waartoe het voorbereidingsbesluit van 9 mei 2006 is genomen. De rechtbank is terecht tot deze conclusie gekomen. Dat het glassaneringsbeleid in het inmiddels op 13 november 2007 vastgestelde bestemmingsplan is opgenomen draagt aan deze conclusie alleen maar bij. De vraag of dat bestemmingsplan - en het daarin neergelegde glassaneringsbeleid - rechtskracht zal verkrijgen, is in dit verband voor de boordeling van het bestreden besluit niet relevant.

2.4.2. Voorts heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat [appellante] niet aannemelijk heeft gemaakt dat er namens het college concrete toezeggingen zijn gedaan door een daartoe bevoegd persoon, waaraan zij het in rechte te honoreren vertrouwen kon ontlenen dat het college vrijstelling zou verlenen. Dat het college [appellante] er op heeft gewezen dat ontheffing van de leidingbeheerders nodig zou zijn om realisering van het bouwplan mogelijk te maken is daarvoor onvoldoende. Niet is immers gebleken dat daarbij uitdrukkelijk is toegezegd dat voor de afwijking van de bouw- en goothoogte van het bestemmingsplan vrijstelling zou worden verleend in het geval bij de leidingbeheerders geen bezwaren zouden bestaan tegen het bouwplan. Ook overigens is niet gebleken dat in het tussen het college en [appellante] plaatsgevonden vooroverleg met betrekking tot het gewenste bouwplan concreet is toegezegd dat vrijstelling zou worden verleend.

2.4.3. Gelet op het vorenoverwogene heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat het college in redelijkheid heeft kunnen weigeren vrijstelling te verlenen voor het bouwplan en terecht heeft geweigerd, gelet op het dwingend bepaalde in artikel 44, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet, daarvoor bouwvergunning te verlenen.

Het betoog faalt.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. F.B. van der Maesen de Sombreff, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak w.g. Van der Maesen de Sombreff

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 juni 2008

328-190-552.