Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2008:BD5380

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-06-2008
Datum publicatie
25-06-2008
Zaaknummer
200706313/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 juni 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Groningen (hierna: het college) [naam] en [appellant] onder oplegging van een dwangsom gelast de kap van de op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) verbouwde palingrokerij te verwijderen en de witte stenen van de gevels rood te schilderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200706313/1.

Datum uitspraak: 25 juni 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nr. 06/284 van de rechtbank Groningen van 16 juli 2007 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Groningen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 juni 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Groningen (hierna: het college) [naam] en [appellant] onder oplegging van een dwangsom gelast de kap van de op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) verbouwde palingrokerij te verwijderen en de witte stenen van de gevels rood te schilderen.

Bij besluit van 12 december 2003 heeft het college het door [appellant] (hierna: [appellant]) daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij mondelinge uitspraak van 5 oktober 2005 heeft de rechtbank Groningen (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 12 december 2003 vernietigd.

Bij besluit van 6 januari 2006 heeft het college het door [appellant] tegen het besluit van 13 juni 2003 gemaakte bezwaar wederom ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 16 juli 2007, verzonden op 24 juli 2007, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 augustus 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 september 2007.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 juni 2008, waar

[appellant], en het college, vertegenwoordigd door mr. G.J. Bouma, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 40, eerste lid, van de Woningwet is het verboden te bouwen zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders (bouwvergunning).

2.2. Op grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Hoogkerk Noord" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "Wonen met bedrijvigheid".

Ingevolge artikel 1, onder 13, van de planvoorschriften is een hoofdgebouw een gebouw dat op een bouwperceel door zijn functie, constructie of afmetingen als het belangrijkste bouwwerk valt aan te merken.

Ingevolge artikel 7.1, voor zover thans van belang, zijn de gronden met de bestemming "Wonen met bedrijvigheid" primair bestemd voor wonen en secundair voor kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid aan huis, vrije beroepsuitoefening en/of zakelijke dienstverlening aan huis dan wel detailhandel aan huis.

Ingevolge artikel 7.3, aanhef en onder d, mogen hoofdgebouwen worden gebouwd met dien verstande dat de goothoogte en de nokhoogte respectievelijk maximaal 3.50 en 8.50 m mag bedragen.

Ingevolge artikel 7.4, aanhef en onder c, mag de goothoogte en de nokhoogte van bijgebouwen respectievelijk maximaal 3.00 m en 5.50 m bedragen.

Ingevolge artikel 7.6, aanhef en onder e, zijn burgemeester en wethouders bevoegd vrijstelling te verlenen van het bepaalde in artikel 7.4, onder c, voor een goothoogte van bijgebouwen tot maximaal 5.50 m.

Ingevolge artikel 27.1, aanhef en onder a, zijn burgemeester en wethouders bevoegd vrijstelling te verlenen van de bepalingen van het plan voor afwijkingen ten aanzien van de in het plan gegeven maten mits de afwijking niet meer bedraagt dan 15%.

2.3. [appellant] heeft zijn palingrokerij met een aan hem op 26 januari 1996 verleende bouwvergunning verbouwd. In afwijking van die vergunning bedraagt de hoogte van de palingrokerij 9.90 m in plaats van de vergunde 6.50 m. Het college was dan ook, gelet op artikel 40, eerste lid, van de Woningwet, bevoegd handhavend op te treden.

2.4. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.5. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat geen concreet zicht op legalisatie bestond op grond waarvan het college van handhavend optreden had moeten afzien. Volgens [appellant] heeft de rechtbank miskend dat het college het gebouw, waarin de palingrokerij is gevestigd, ten onrechte als bijgebouw heeft aangemerkt. De palingrokerij is, zo stelt hij, een hoofdgebouw en de gerealiseerde nokhoogte wijkt slechts in geringe mate af van hetgeen op grond van het bestemmingsplan voor hoofdgebouwen is toegelaten. Hiervoor zou het college vrijstelling moeten verlenen.

2.5.1. Los van de vraag of de palingrokerij ten onrechte door de rechtbank als bijgebouw is aangemerkt, is het hiernavolgende van belang. Bij besluit van 8 maart 2001 heeft het college geweigerd vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en bouwvergunning te verlenen voor hetgeen in afwijking van de in 1996 verleende bouwvergunning is gebouwd. Tegen dit besluit heeft [appellant] bezwaar gemaakt. Naar aanleiding van met het college gevoerde gesprekken is het ervan uitgegaan dat het gemaakte bezwaar geen verdere behandeling behoefde. Bij brief van 3 december 2002 is dat door het college aan de toenmalige gemachtigde van [appellant] schriftelijk bevestigd. Hierop is niet gereageerd. De weigering vrijstelling en bouwvergunning te verlenen is derhalve in rechte onaantastbaar geworden en de rechtmatigheid hiervan moet als vaststaand worden aangenomen. Hieruit volgt dat concreet zicht op legalisatie van het in afwijking van de in 1996 verleende bouwvergunning gebouwde zich reeds hierom niet voordeed ten tijde van het bestreden besluit van 6 januari 2006. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat het planologisch regime en de planologische inzichten ten aanzien van het in geding zijnde perceel na de weigering vrijstelling en bouwvergunning te verlenen niet zijn gewijzigd.

De rechtbank is terecht tot het oordeel gekomen dat geen concreet zicht op legalisatie bestond. Het betoog faalt.

2.6. De omstandigheid dat tijdens de bouwwerkzaamheden niet tegen de gerealiseerde afwijkingen van de vergunning is opgetreden, brengt niet met zich dat het recht om dat alsnog te doen is verwerkt. Het wettelijk uitgangspunt, neergelegd in artikel 40 van de Woningwet, is de verantwoordelijkheid van de vergunninghouder om conform de vergunning te bouwen. Voorts heeft de rechtbank terecht overwogen dat van een onnodig stilzitten geen sprake is geweest.

2.7. Voor zover [appellant] betoogt dat hem een beroep op het vertrouwensbeginsel toekomt op grond waarvan het college van handhavend optreden had moeten afzien, faalt dit. Dat [appellant] gedurende de bouwwerkzaamheden bezoek heeft gehad van verschillende instanties zoals de brandweer, arbeidsinspectie en milieudienst, naar aanleiding waarvan hij zijn bouwplannen zou hebben aangepast, brengt niet met zich dat daarmee het rechtens te honoreren vertrouwen is gewekt dat tegen de niet geringe afwijkingen van de bouwvergunning niet zou worden opgetreden. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is nodig dat het bevoegde bestuursorgaan, in dit geval het college, terzake mededelingen doet waaraan rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden ontleend. De brandweer, arbeidsinspectie en milieudienst kunnen niet als een bevoegd bestuursorgaan worden aangemerkt. De rechtbank is terecht tot dit oordeel gekomen.

2.8. Voorts heeft de rechtbank terecht en op juiste gronden geoordeeld dat handhavend optreden in dit geval niet zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat daarvan behoorde te worden afgezien. [appellant] kan niet worden gevolgd in zijn standpunt dat de rechtbank in haar oordeel ten onrechte niet de door [appellant] beschermde belangen van derden, waaronder begrepen de belangen van zijn werknemers en omwonenden, heeft betrokken. Uit de in het dossier aanwezige stukken blijkt niet dat deze belangen in beroep zijn aangevoerd. Los daarvan, heeft het college in die belangen terecht geen aanleiding gevonden niet tegen overtreding van artikel 40 van de Woningwet op te treden.

Het betoog van [appellant] dat de rechtbank er ten onrechte vanuit gaat dat de palingrokerij niet ambachtelijk zou zijn mist feitelijke grondslag, nu dit niet volgt uit de aangevallen uitspraak van de rechtbank van 16 juli 2007.

2.9. De rechtbank is derhalve terecht en op goede gronden tot het oordeel gekomen dat het college ook in hetgeen [appellant] overigens heeft aangevoerd geen bijzondere omstandigheden behoefde te zien die aanleiding hadden behoren te zijn om van handhavend optreden af te zien.

2.10. De betogen van [appellant] omtrent de kleur van het gebouw, zijn niet eerder aangevoerd. Aangezien het hoger beroep is gericht tegen de aangevallen uitspraak, er geen reden is waarom deze betogen niet reeds voor de rechtbank hadden kunnen worden aangevoerd en [appellant] dat uit een oogpunt van een zorgvuldig en doelmatig gebruik van rechtsmiddelen en omwille van de rechtszekerheid omtrent hetgeen in geschil is had behoren te doen, dienen deze buiten beschouwing te blijven.

2.11. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. C.W. Mouton, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.L.M. Steinebach-de Wit, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak w.g. Steinebach-de Wit

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 juni 2008

270-552-328.